En weer blijkt het ‘bagger’ op het WK

Engeland, de uitvinder van de sport, is weer bezig met een moeizaam toernooi. Al tweemaal verlies.

Engeland verloor afgelopen week behalve van Australië ook van het andere gastland:Nieuw-Zeeland. Foto Ross Setford/AP

Voorspelbare, eenzijdige wedstrijden. Inmaakpartijen waarbij kleine cricketlandjes achteloos opzij worden geschoven door de grote. Elke keer zijn het weer dezelfde klachten bij het WK cricket, dat met zes weken toch al eindeloos duurt. Dat maakte het juist zo pijnlijk. Engeland, uitvinder van de sport, wil al jaren af van dwergen als Nederland of Afghanistan, omdat ze de waarde van het toernooi ondermijnen. Maar laat het nu precies de Engelsen zijn die zich vorige week op het WK in Australië en Nieuw-Zeeland op beschamende wijze lieten afschminken door beide gastlanden. Als een dreumes tussen de grote jongens.

Afgelopen nacht pakte Engeland eindelijk de eerste zege, tegen Schotland. Maar dat land had dan ook nog nooit een WK-duel gewonnen.

Op een of andere manier wil het maar niet lukken met Engeland, dat de sport exporteerde naar landen als Australië, India, Pakistan, Sri Lanka en de West-Indies. Elke keer gaan ze weer goed gemutst op pad, dromend over de wereldtitel, maar telkens gaat het weer mis op het WK, dat in 1975 voor het eerst werd gespeeld. Al die andere landen werden de afgelopen decennia tenminste één keer wereldkampioen, Engeland lukte het nog nooit. Op het elfde WK zijn de meeste Engelse internationals zelfs te jong om zich de laatste finaleplaats (1992) te kunnen herinneren.

Net als bij de mislukte WK’s voetbal zijn de Engelse kranten wel wat gewend als het gaat om sportieve tegenslag. Maar afgelopen weekeinde tuimelden journalisten en oud-internationals als sir Ian Botham over elkaar heen in cynisme over de ploeg. Alles kwam weer voorbij. Werd Engeland niet, in 2009, op Lord’s vernederd door Nederland – herhaal: Nederland – op het WK Twenty20?

Het lijkt zo kort geleden. Vorig jaar gebeurde het trouwens nog een keer. The Telegraph wijdde er gisteren zelfs een apart artikel aan, onder de kop: England’s most pathetic recent World Cup moments. Het land weet niet beter. Eens in de zoveel tijd wordt het geconfronteerd met de harde realiteit. Zoals een slechte zomer, vol regen. „Het geeft een troostend soort nostalgie, Engeland dat weer eens ouderwets bagger is met cricket”, twitterde The Media Blog afgelopen vrijdag vanuit Londen.

Die dag was het absolute dieptepunt bereikt, vonden de kritische volgers. De nederlaag in Wellington tegen gastland Nieuw-Zeeland, zo schreef Tim Selvey in The Guardian, ging verder dan alleen maar een „simpele vernedering”, zoals in het eerste WK-duel, met Australië. Engeland was al verslagen voordat het stadion vol was, en de lichtmasten ontstoken.

En dat terwijl de voorbereiding de beste was in decennia. Zes maanden lang leefde de ploeg ernaar toe. Testmatches werden afgezegd en zelfs de traditionele serie wedstrijden om The Ashes, tegen Australië, was een jaar vervroegd om de kansen op een eerste wereldtitel te vergroten. Veel plezier leverde die serie tegen de aartsrivaal overigens niet op: 5-0 voor Australië.

Wat is er aan de hand? Het grootste probleem is dat Engeland te veel blijft hangen in het verleden, het ouderwetse meerdaagse cricket dat stamt uit de negentiende eeuw: dagenlange testmatches, traag en verdedigend, vol historie en traditie.

Ondertussen stortten de dominante landen van nu, Australië en regerend wereldkampioen India, zich vol op het commercieel lucratieve Twenty20, dat nota bene werd bedacht in Engeland. Maar in de voormalige koloniën ontwikkelde het zich tot een miljoenenindustrie. Het is een ander spel: snel, kort en aanvallend. De bal moet zo vaak mogelijk het veld uit. „Engeland speelt nog steeds het ouderwetse cricket”, zei Nasser Hussain, oud-aanvoerder van Engeland, afgelopen weekeinde in de Daily Mail. „Engeland valt in moeilijke tijden nog steeds terug op testmatch-spelers in plaats van te kiezen voor de meer aanvallende optie.”

Het elfde WK is nu ruim een week bezig. Als één ding opvalt is dat het aanvallende cricket de winnaar is: scores van meer dan 300 runs in 50 overs zijn al jaren de norm voor Australië, India, Zuid-Afrika en de West-Indies. Engeland komt daar zelden aan. De spelers die worden geselecteerd zijn simpelweg niet gewend om in korte tijd veel runs te scoren.

Toch liggen de Engelsen nog niet uit het toernooi. Door de huidige opzet gaan acht van de veertien landen na de groepsfase door naar de volgende ronde. Engeland hoeft ‘alleen maar’ de dwergen Schotland, Afghanistan en Bangladesh achter zich te houden om de kwartfinales te bereiken. Maar hoe moet het met Engeland als de kleintjes bij het volgende WK, in 2019, niet meer mee mogen doen?