Column

All you can eat

Omdat we voor onze terugkeer naar huis nog iets wilden eten, doken we een Japans restaurant in Den Haag in. Japans kan erg lekker zijn, al hangt het sterk af van het restaurant waar je eet, maar voor welke keuken geldt dat niet? Gauw naar binnen dus, zonder allerlei getwijfel bij de menukaart naast de deur.

Het bedienend personeel bleek van Japanse afkomst, wat een geruststelling was, want Japans eten bij een hoogblonde Hollander met een Haagse Harry- accent heeft iets demotiverends. We stevenden meteen op een tafeltje bij het raam af, maar dat bleek verboden terrein voor stelletjes. We werden verwezen naar een tafeltje in een donkerder gedeelte met uitzicht op enkele vuilniszakken bij een achteringang. Een tegenvallertje, maar wat koop je voor slecht eten met een idyllisch uitzicht?

Daar was de ober al, een slanke dertiger die met een innemende glimlach ‘het systeem van de zaak’ begon uit te leggen. Dat was weer eens iets anders dan de ‘en-wilt-u-alvast-iets-drinken-vraag’, die je in de meeste zaken al naar je hoofd geslingerd krijgt terwijl je nog je zitcomfort onderzoekt.

„Het systeem?” vroegen wij verbaasd.

We bleken voor het eerst van ons leven in een all-you-can-eat-restaurant te zijn beland, zo’n zaak waar je tegen een vastgesteld tarief onbeperkt kunt eten. Het is meer geschikt voor jonge, krachtige mannen, liefst van Nederlandse of Duitse afkomst, met magen van beton die eindeloos volgestort kunnen worden. Wij moesten voorzichtiger zijn.

De ober nam alle tijd voor zijn uitleg, maar helaas werd zijn verhaal warriger naarmate het langer duurde. Omdat wij hem niet altijd goed begrepen, moesten wij telkens nieuwe vragen stellen wat hem steeds verder van zijn à propos bracht.

Na een minuut of tien meenden wij te begrijpen dat de maaltijd bestond uit een onbepaald aantal ‘ronden’, waarin telkens vijf ‘items’ genuttigd konden worden. Je mocht zelf bepalen of je een klein of groot item nam. Wel beval hij ons steeds nadrukkelijk de sushi’s aan, hoewel ik al enkele keren had laten doorschemeren dat juist die nogal overschatte, kouwe, vrij smakeloze hapjes ons meestal té rauw op de maag vielen.

„Jullie zijn nogal royaal”, zei mijn vrouw.

„Ik moet u wel waarschuwen”, zei hij. „U moet van elke ronde álles opeten. Lukt u dat niet, dan krijgt u een boete. Bij de sushi is dat een euro per stuk, bij de overige gerechten drie euro.”

„Maar als ik het nou niet lekker vind of echt niet meer op kan?” vroeg ik.

„Dan moet u toch betalen”, zei hij vastberaden.

Ik voelde een golf van moedeloosheid in me opkomen, ongeveer ter hoogte van mijn sinds het middaguur niet meer gevulde maag. Een zware vermoeidheid ook, want het valt niet mee eindeloos door te moeten emmeren over rondes, items, sushi’s en zelfs boetes.

„En dan moet ik u nog iets vertellen”, zei de ober, nog steeds vrij monter. Hij toonde het scherm van een tablet, waarop de icoontjes van allerlei gerechten prijkten. „Die laat ik hier achter, want u moet straks zelf alles intoetsen.”

Ik voelde iets knappen – weer in de buurt van die lege maag. Ik stond op en zei tegen mijn vrouw: „Ga je mee? Straks moeten we hier ook nog zelf koken.”

Wij lieten de ober onthutst achter. „Dat was niet erg aardig tegenover die man”, zei mijn vrouw buiten. Ze had gelijk, maar heeft honger ooit iemand aardig gemaakt?