Zie mij, ik ben als God

De portretten in het Bozar museum in Brussel laten zien hoe wij zijn en hoe wij waren: ooit vroom en natuurgetrouw afgebeeld, nu vooral geïnteresseerd in onszelf.

Portretten, misschien wel de saaiste kunstvorm die bestaat. Het Bozar in Brussel besteedt er uitgebreid aandacht aan met twee parallelle tentoonstellingen: Faces Then, over 16de-eeuwse portretkunst uit de Lage Landen en Faces Now, met fotografie van na 1990. Het euvel is duidelijk: ken je de geportretteerde niet, die er vaak vooral recht en voordelig op staat, dan heb je als kijker weinig boodschap aan het beeld. Dat geldt voor kunst net zo als voor selfies op internet.

Vooral na 1990, sinds de opkomst van digitale fotografie, is de overdaad aan portretten zo enorm dat die gezichten – pogingen niet vergeten te worden – vanzelf ondergesneeuwd raken en dus vergeten. Daarvan was in de Nederlanden van de zestiende eeuw geen sprake. Met de economische groei stond een zelfbewuste burger op die, onder invloed van het nieuwe humanisme, vond dat ook hij wel eens op een schilderij mocht in plaats van God en Maria. Dat was opzienbarend, maar betekende geen massaproductie. Faces Then is met zevenenveertig schilderijen dan ook beduidend kleiner dan het uitbundige en eindeloze Faces Now ernaast. Het zijn relatief sobere schilderijen waarop rijke burgers poseren in de kenmerkende zwarte mode van toen, met witte kragen en accessoires als ringen.

Die donkere kledij oogt bescheiden maar zwart was de duurste verfstof, en dus was die sobere snit toch een stille poging tot extravagantie. Uit de band springen was uit den boze, decorum was het hoogst haalbare. Dat had consequenties voor de portretkunst. De expositie is dan ook opvallend gelijkmatig: in een eeuw portretkunst veranderde weinig meer dan dat de formaten groeiden en de blikken, langzaam, zelfbewuster werden.

Geen heiligenbeelden

Wie zou vermoeden dat juist achter al die uitgestreken gezichten een verwoede strijd schuilging: een theologische strijd. Het tweede gebod, tegen afgoderij, werd door 16de-eeuwse protestanten geïnterpreteerd als een verbod op de heiligenbeelden, die door katholieken aanbeden en gekust werden. Die gingen ze dus te lijf. Ter verdediging van de heiligenbeelden zei de katholieke theoloog Duncanus dat die iconoclasten, de beeldenvernielers, dan ook niet de nieuwe (vaak protestantse) portretkunst moesten willen. Dat argument pakte anders uit: plots lag ook de portretkunst onder vuur. Uiteindelijk werd een interessante uitkomst bereikt: portretteren mag, maar alleen zeer waarheidsgetrouw. De mens is Gods schepping, je eert Hem door die te tonen. Maar verbeter of verander niets, want het is niet aan de mens om God te corrigeren. Zo werd de zeer realistische noordelijke portretkunst geboren, radicaal anders dan alle geïdealiseerde madonna’s van Rafaël waar die toonaangevende – maar katholieke – Italiaanse kunstenaars zo van hielden.

En dus laten die portretten in het Bozar elk rimpeltje, pukkeltje, haartje zien. Technisch zijn ze prachtig geschilderd. Gehuld in zwart kijkt een jongeman (anoniem, circa 1575) je vanuit zijn ooghoeken vol interesse aan. Door zijn roze huid zie je, door slim verfgebruik, blauwige schijnsels wat hem nog meer een mens van vlees en bloed maakt. Zo realistisch, ademend, is het alsof hij voor je staat. Net zo waarachtig is het vrouwsportret van Maarten van Heemskerck. Met een wit kapje in donkere omlijsting ligt alle nadruk op haar blik. Haar mond is streng recht, maar haar ogen glanzen dusdanig dat je haar gedachten kunt lezen en weet dat ze een heimelijke glimlach onderdrukt.

Riekend naar uitsloverij

Wat waren de Middeleeuwen ineens ver weg, toen er hooguit op altaarstukken bijrolletjes waren voor adellijke stervelingen, vaak verdwergd verscholen achter de mantels van heiligen. Theologisch was de nieuwe portretkunst redelijk dichtgetimmerd, er hangt zelfs een portret van Calvijns opvolger Theodora Beza die poseert met een preekbrief. Maar toch is het moeilijk om dit alles als vroomheid te blijven zien. Neem het zelfportret van Isaac Claesz van Swanenburg aan zijn ezel, middelpunt van zijn atelier. Natuurgetrouw, zeker, maar is het niet ook virtuoos? Zelfs virtuositeit gold als onbetamelijk, riekend naar uitsloverij en verbetering van de natuur. Opzienbarender nog is hoe Jan Cornelisz Vermeyen in 1941 een belangrijk raadsheer schilderde: breed, met bontmantel, en vanuit een laag gezichtspunt waardoor we opkijken tegen zijn arrogante blik. Dit is ijdelheid, onmiskenbaar. En goud, doorgaans hét materiaal voor religieuze kunst, nu als achtergrond voor een mansportret uit 1525?

Puur bekeken zaten er wat moeilijke kantjes aan. De discussie was ook niet helemaal gesloten. Iemand met een interessant argument was Johannes a Porta. Hij daagde de iconoclasten uit (gewaagd, beeldenstormers uitdagen) om ook eens een portret van hun kinderen of ouders te vernielen. Daarmee wilde hij zeggen dat je in een geschilderd gezicht eerder een medemens herkent dan een afgod. Zo’n medemens, een individu, wil je niets aandoen. Hij had een punt. Deze week circuleerde een Facebookfilmpje van een net echte Japanse robot waar ik een mens in herkende: schuchter, introvert, sympathiek. Onzin, maar zo functioneert ons brein.

De zevenenveertig mensen op de tentoonstelling leefden vijf eeuwen geleden maar als je ze ziet, denk je ze te kennen. De dame die Frans Floris de Vriendt zo gezellig met hond erbij schilderde (1558) is vriendelijk en geïnteresseerd, edelvrouw Anne Stafford (1530-35) kijkt met haar felle ogen vooral verbitterd alsof ze gebukt gaat onder het keurslijf aan het Engelse hof. Dat maakt deze tentoonstelling, onder alle betamelijke saaiheid, heel spannend. Dit is wat wij zijn.

Elk pukkeltje

Daarom is de combinatie met Faces Now een goede. Want is fotografie niet eigenlijk, doorgedacht vanuit die 16de eeuw, het sluitstuk op het beelddebat van toen? Op foto’s zie je vanzelf elk rimpeltje en pukkeltje. En toch ziet fotografie nu er heel on-humanistisch uit, veel meer ego-gericht. Humanisme ging over het uitdragen van menselijke waarden, denkkracht, verdraagzaamheid. Het vrije en verantwoordelijke individu stond garant voor een goede wereld. Decorum hoorde daarbij, als morele schoonheid.

Hoewel dat 16de-eeuwse humanisme geldt als grondslag voor onze tijd, trekken portrettisten zich niets van zulk decorum aan: Faces Now toont kroegtijgers, hulpelozen, zakenlui arroganter dan die raadsman vijf eeuwen eerder. Hier vind je geen moreel kompas… is dat omdat we sinds Hitler en Stalin beter weten waar die nobele mens toe in staat is? Fotografie toont een wereld waarin alles kan bestaan. Wij 21ste-eeuwse mensen proberen boven de massa uit te steken met flatteuze portretten die alleen gaan over onszelf. Daarbij hebben de geportretteerden in Faces Now het relatief goed: zij zijn museaal aangekocht. Zij blijven. Ook die doden uit de 16de eeuw blijven ons aankijken, terwijl al die niksige fotootjes op internet vergeten zullen raken. Alles is ijdelheid.