Tegen de verveling

Het indoor-speelparadijs is populair: 122 telt Nederland er inmiddels, vooral in provincies met ruimte. Voor boeren is het lucratief. Maar is dat nou wel zo gezond, al dat georganiseerde gespeel?

Foto: Lars van den Brink

Uit een oude boerenstal in het Brabantse Kaatsheuvel, gevestigd tussen een zitmeubel- en een keukenfabrikant, komt een golf van gegil. De 120 stieren die hier vroeger rondliepen zijn vervangen door evenzoveel kinderen.

„Effe buiten de peukenbak blussen”, zegt ondernemer Arnoud Derks (43), een perfectionist. Lopend door de kinderstapel is er niets wat hem ontgaat: slijtageplekken in een springkussen, te laag volume in de discohoek, afval onder een afrastering. „Straks even iemand op activeren.”

Derks en zijn vrouw Nicolle namen speelparadijs ’t GanzeNest in 2002 over van een boer. Die was ermee begonnen als een van de eersten in Nederland toen de prijs voor stierenvlees midden jaren negentig terugliep van 8 euro de kilo naar 6,5. Geïnspireerd door een kinderspeelhal in Zaandam vroeg hij de bank om een lening. Die vond het niks. De boer zette er toch een springkussen, een ballenbak en een stel nieuwe ‘speelstructuren uit Amerika’ neer en niet veel later was de stal voller dan ooit. Kilo’s snoep en patat verdrongen het veevoer, hij had nog nooit zoveel geld verdiend. Waarna hij vanwege het kindergegil de zaak op doktersadvies overdroeg.

Inmiddels is het concept ‘indoor-speelparadijs’ uitgerold over Nederland. Kinderen wagen zich in grote hallen aan veilige ‘soft-play speelelementen’ (kussens, wanden, ballen, gangen) terwijl hun ouders in het horecagedeelte met ‘fastservice gerechten’ (patat en kroketten) met gerust hart de krant lezen of tijdens papadag over een iPad swipen. De entreeprijs voor kinderen is gemiddeld 7 euro, ouders mogen gratis. Een goedkoop dagje uit dus, en je kunt er je auto kwijt.

Van zulke betaalde speelparadijzen zijn er in Nederland nu 122, becijferde horeca-adviesbureau Van Spronsen en Partners onlangs. Vooral in provincies met ruimte zijn ze populair. Noord-Brabant, Friesland, Zeeland, Drenthe. Daar verschijnen ze in loodsen van bedrijfsterreinen met herbestemming ‘leisure’ of in stallen van varkensboeren die het vanwege schaalvergroting niet meer zien zitten. Het concept is zo gewild dat twee ketens, Ballorig en Monkey Town, elkaar beconcurreren op de gunstigste locaties. Speeltoestellenfabrikant Eli Play, ooit begonnen in de ballenbakballenschoonmaak voor McDonald’s en Ikea, is uitgegroeid tot miljoenenbedrijf met veertig werknemers.

Miljoen omzet per jaar

De branche is winstgevend, zegt Lennert Rietveld van het adviesbureau. Hij rekent voor: in een hal van 2.000 vierkante meter kun je dagelijks zeker 400 kinderen kwijt. Gemiddelde besteding per kind: 3,5 tot 6,5 euro. „De grotere paradijzen halen een miljoen omzet per jaar.” En het concept is weliswaar ‘oppervlakte-intensief’, en dus lastig in grote steden, het is ook ‘arbeidséxtensief’. Oftewel: „Voor de entreeprijs hoef je als ondernemer niet veel te doen.”

Natuurlijk, zegt Arnoud Derks, je moet je niet verkijken op de kosten. Een springkussen van 11.000 euro, 12.500 euro voor het asfalt van de skelterbaan, 1.000 euro voor de maandelijkse energierekening en die zestienduizend ballen in alle ballenbakken zijn ook niet gratis. Maar inderdaad, gouden tijden. Een zaterdag in topjaar 2004 was echt „stampen” achter de bar. Twaalf kinderfeestjes, 80 liter ranja en een permanente rij voor de snackcorner. Kinderen kwamen van Gorinchem tot Den Bosch, 30 kilometer hemelsbreed. Het klapbord ‘Vol’ moest regelmatig voor de deur.

Inmiddels telt diezelfde regio dertien indoor-speelparadijzen, allemaal afgekeken van ’t GanzeNest, en staat het klapbord alweer jaren in de kast. Sommige paradijzen bieden ‘totaalconcepten’, binnen thema’s als ‘jungle’ of ‘onderwaterwereld’ compleet met ‘socialmediabeleving’, ‘donut gliding’ en ‘healthy food’. Langs snelwegen in Nederland verrijzen complete ‘family entertainment centers’ met ‘glowgolf’, lasergames en soft-play-parcours voor volwassenen. Daar kan Derks niet tegenop.

Is het wel gezond, al dat gespeel? „Een kind dat niet speelt is net zo erg als een kind dat niet eet”, zegt ontwikkelingspsycholoog Steven Pont. „Je leert de wereld kennen via spel. Met blokken maak je kennis met de zwaartekracht, je leert stutten en steunen, met ‘vadertje en moedertje’ leer je sociale verhoudingen kennen, voetbal is het verkennen van grenzen en conflict.” En ook met de ballenbak is niets mis, zegt hij, al is het maar voor de dagelijkse dosis beweging.

Maar een ‘abonnement’ op de ballenbak, dat is een ander verhaal. Er is volgens Pont een toenemende ‘institutionalisering’ van spel. Was een dagje uit met opa en oma voorheen iets bijzonders, nu zijn er kinderen die elk weekend van dierentuin naar speelparadijs togen, iPad achter de hand. Spontaan spel, voortkomend uit verveling, daartoe krijgen sommigen de kans niet meer. Terwijl verveling volgens Pont een bron is van inventiviteit, doorzettingsvermogen, creativiteit. „Als een kind iets zelf bedenkt overwint het een frustratie. Verveling traint de ‘zelfstandigheidspier’ en uiteindelijk is dat het doel van opvoeden: het organiseren als ouder van je eigen overbodigheid. Liefde en loslaten.”

In paniek raken van verveling

Ouders die het entertainment voor hun kind stelselmatig organiseren creëren drammers; kinderen die in paniek raken als verveling dreigt en verwijtend aan hun ouders vragen ‘wat ga je eraan doen?’ Kinderen zijn volgens Pont nu eenmaal steeds meer prikkels gewend. Kijk naar de snelheid van videoclips. „En veel ouders proberen die prikkelbehoefte constant te bevredigen. De speelparadijzen zijn een antwoord op die veranderende vraag.”

Arnoud Derks van ’t GanzeNest ziet de macht van jonge bezoekers inderdaad groeien. Neem alleen al de kaart met ijsjes naast de bar. Derks, perfectionist, heeft ze keurig gerangschikt op prijs. Vier rijen met ijsjes. Raketjes op kinderhoogte, magnums bovenaan. Tot een aantal jaar geleden mochten de meeste kinderen van hun ouders alleen kiezen uit de onderste twee rijen, nu kiezen ze steeds vaker uit de bovenste twee. „Hoe harder het geschreeuw, hoe groter het ijsje.” Kinderen, ziet hij, krijgen het steeds meer voor het zeggen. „En ik krijg altijd de schuld hè. Wil mama op tijd naar huis, dan zegt ze tegen zijn haar kind ‘We gaan nu écht want het sluit hier’. Knipogend naar mij: ‘Ja toch, meneer...?’”

Na de explosieve groei is in Nederland het verzadigingspunt voor speelparadijzen bijna bereikt, denkt horeca-adviesbureau Van Spronsen en Partners. Alleen voor onderscheidende varianten, met bijvoorbeeld lunchrestaurants en fauteuils voor de ouders, is nog plek. Maar zo ver zal ‘t GanzeNest niet gaan, zegt eigenaar Derks. „Fastfood is gewoon veel rendabeler. En ik kom er bij mijn klanten mee weg, want het is een dagje uit hè.”

Om de omzet nu toch wat te stuwen heeft Derks iets nieuws bedacht. Hij toont een flyer waarop een Vlaamse schone een bord met ‘steppegras’ toont, dé hit uit België. Steak onder een flinke berg dunne friet (4 mm). Steppegras moet zijn „konijn uit de hoge hoed” worden. Want kinderen, weet Derks, houden niet van aardappelsmaak, „dus hoe dunner de friet, hoe beter”. Steppegras is vanaf komende week verkrijgbaar bij kinderparadijs ’t GanzeNest in Kaatsheuvel.