Sombere prins als lotgenoot

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Vooruitlopend op de Boekenweek met als thema ‘waanzin’, presenteert psychologe Ranne Hovius de literaire schatten die we aan de psychische stoornissen van schrijvers en personages danken. Vogels van waanzin. Psychiatrie in Nederlandstalige romans en gedichten [1] is geen dorre opsomming van teksten door of over gekken. Het boek bevat veel goed gekozen citaten, waaruit blijkt dat het Boekenweekmotto ‘te gek voor woorden’ moet worden omgedraaid: woorden zijn nergens te gek voor.

Grote schrijvers weten waanzin in taal te vangen, bijvoorbeeld Maarten Biesheuvel. Van hem zijn in het hoofdstuk over psychiatrische inrichtingen twee fragmenten opgenomen uit zijn verhaal ‘Paviljoen E.’ In de isoleercel van een inrichting ontwikkelt de psychotische Jacob een vertrouwensband met verpleger Sollie, die hem vanillevla voert. ‘Hij goot het me als bij een klein vogeltje of kalf door de keel. Ik was niet bang en genoot. Ik kende zelfs geen angst als hij in zijn diepe zakken graaide en er een handje zware pillen uit opdiepte. Die kwakte hij als losse krenten in mijn pap.’

In de sterke verhalenbundel Brief aan vader [2], een keuze uit eigen werk door de schrijver, heeft Biesheuvel ‘Paviljoen E.’ niet opgenomen, maar verzorger Sollie speelt weer een glansrol. Hij duikt op in het niet eerder gebundelde verhaal ‘Prins Claus in mijn herinnering’, een verslag van een diner op Huis ten Bosch in 1987. Daar wisselden de schrijver en de prins ervaringen uit over depressies en pillen.

Na afloop ontspon zich een briefwisseling tussen de twee. Claus bekende Biesheuvel dat hij zich ‘gewoon een scheikundig mengvat’ voelde, waarop Biesheuvel antwoordde dat een Katwijkse visser hem met pillen en vanillevla had gered toen hij op het randje van de dood verkeerde. ‘De visser heette Sollie, maar Claus schreef me terug dat we allemaal zo’n Saul moesten hebben om ons uit ons isolement te verlossen. We wisten van elkaars zenuwachtigheid, angsten en somberheid. Op den duur werd hij steeds zieker. Ja, een broer had ik aan hem. Zou hij in mij een lotgenoot hebben gezien?

Dankuwel, Hoogheid!”

Ook twaalf andere verhalen in deze bundel, inclusief het titelverhaal ‘Brief aan vader’ zijn ‘nieuw’, in de zin dat ze niet in het Verzameld Werk uit 2008 staan.

Geen vluchtiger genre dan de column, maar sommige verhaaltjes op de korte baan zijn bestand tegen de tijd. Criticus Kees Fens (1929-2008) hoort met Samuel Falkland (Herman Heijermans), Louis Paul Boon en Simon Carmiggelt tot de schrijvers van stukjes op de korte baan die altijd goed blijven. Onder het pseudoniem A.L. Boom schreef hij van 1976 tot 1989 in het weekblad De Tijd over onderwerpen als de geur van een sigarendoosje, een jongen die vliegert aan de rand van de stad, een telkens terugkerende liefde voor oude, ‘dodelijk vermoeide’ kerk- en kloostergebouwen.

Uit drie eerdere bundels is Dat ben ik toevallig [3] samengesteld: geen compleet zelfportret, eerder een handvol literaire selfies. Maar dat woord past niet goed op een bundel vol melancholie: een doosje ouderwets snoepgoed, jujubes of Wilhelmina pepermuntjes, geuren en smaken uit vervlogen tijd.

De jeugdherinneringen van Boom, die van Fens blijken te zijn, dansen als lichtvlekken op donker wordende muren in de schemering. Sommige stukjes zijn vervuld van weemoed of zelfs neerslachtigheid. Opwekkend zijn dan weer de stadsimpressies uit Italië, Engeland en Schotland – en uiteraard zijn eigen Amsterdam, waar hij in Oud-West opgroeide.

Een stukje dat in ieder geval iedereen die schrijft zou moeten lezen, is Fens’ lofzang op de alinea.

De jeugdige filosoof Sid Lukkassen (1987) kijkt in Avondland en Identiteit [4] door een donkere bril naar de problemen van de westerse cultuur. Zo brengt de verzorgingsstaat, in het leven geroepen om de burgers in staat te stellen hun begeertes bot te vieren, het onafhankelijke denken in gevaar. De cultuur is vervrouwelijkt, steeds minder mannen hebben seksueel toegang tot het leeuwendeel van de vrouwen, de kosmopolitische superklasse leeft in de illusie dat alle mensen broeders zijn, enzovoorts.

Het is de schuld van ‘het cultuurmarxisme’, een ziekte die sinds 1968 de ‘bovenbouw’ in de westerse wereld beheerst. Helaas: een probleem bij het aantonen van dit fenomeen is dat het cultuurmarxisme inmiddels zo veelomvattend en alomtegenwoordig is dat iedere selectie van bewijzen zou overkomen als ‘ontoereikend en willekeurig.’ Dat is inderdaad het probleem bij dit ratjetoe van mallotige generalisaties, pedante citaten en humorloze pretenties.