Sociale partners bedenken nieuwe WW

Werkgevers en vakbonden willen duur en hoogte van de WW op peil houden. De vraag is wie de kosten dekt en of ze cao’s kunnen sluiten.

Het klinkt als een free lunch in een mooi polderlandschap. Werknemers gaan vanaf volgend jaar weer WW-premie afdragen van hun bruto loon. Maar ze mogen er financieel niet op achteruit gaan en ze krijgen er toch een hoop voor terug: advies en bemiddeling om aan het werk te blijven, plus een derde jaar WW-uitkering als ze langdurig werkloos zijn.

Het staat allemaal in het advies dat de Sociaal Economische Raad (SER) vrijdag in Den Haag presenteerde. Een „bijzonder advies”, zei Mariëtte Hamer, voorzitter van het adviesorgaan voor de regering. De SER-leden, werkgevers, vakbonden en onafhankelijke deskundigen, hadden er samen sinds de zomer van 2013 op zitten kauwen. Het is ook bijzonder omdat het advies niet wordt gesteund door De Nederlandsche Bank (DNB) en het Centraal Planbureau (CPB).

Het kabinet had de SER destijds om advies gevraagd over de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid, als een uitwerking van het sociaal akkoord met werkgevers en vakbonden.

In eerste plaats moest de regeling voor werkloosheidsuitkeringen worden gerepareerd. Werknemers hoeven sinds 2009 geen WW-premie af te dragen, zodat ze meer geld overhouden om te besteden. Sindsdien betalen alleen werkgevers de premie voor WW-uitkeringen (2,07 procent van het brutoloon). Maar omdat er minder premie binnenkwam en de werkloosheid opliep, kampt uitkeringsinstantie UWV inmiddels met een historisch tekort van ruim 11 miljard euro. Vanaf 2016 moeten de kosten van de WW dus weer gelijkelijk betaald worden door werkgevers en werknemers, is de afspraak.

Uit de WW-premie moeten in de toekomst ook twee andere zaken worden betaald. Naast de bestaande ‘werkpleinen’ van het UWV willen de sociale partners in alle 35 arbeidsmarktregio’s ‘adviescentra’ inrichten. Werkenden en werklozen kunnen hier terecht met vragen over zaken als ontslag en uitkering, werk-naar-werktrajecten, scholing en reïntegratie. Werkgevers en vakbonden krijgen zo een grote rol in het voorkomen van werkloosheid. Bedrijven die een verdienmodel zien in adviescentra mogen meedoen in de aanbesteding.

Werkgevers en vakbonden willen de WW-premie daarnaast gebruiken voor private werkloosheidsverzekeringen. Die potjes zijn bedoeld om de inkorting van de WW door het kabinet (van 38 naar 24 maanden) te repareren. Het idee is dat sociale partners in de cao’s afspraken maken over de verzekeringen. De uitvoering kan gedaan worden door het UWV of bijvoorbeeld de Sociale Verzekeringsbank.

Gaat het werken?

Het sommetje klopt nog niet, erkende Romke van der Veen, hoogleraar sociologie van arbeid en organisatie en voorzitter van de SER-commissie die advies geeft. Er bestaat geen model dat de koopkracht van werknemers spaart en tegelijkertijd alle kosten van de WW-nieuwe stijl dekt, zoals het kabinet wilde. De politiek zal moeten nadenken over een manier om belastingbetalers te compenseren en de overheid zal moeten bijspringen – zoals nu ook al gebeurt om het tekort van het UWV aan te vullen.

Een ander gevoelig punt zijn de afspraken die het ‘derde jaar WW’ moeten repareren. Het cao-overleg tussen werkgevers en vakbonden is behoorlijk vastgelopen tijdens de crisis. Er zijn nog zo’n 150 verlopen cao’s voor bijna 3 miljoen werknemers in te halen. De sociale partners zullen toeschietelijker moeten worden als ze de WW echt op peil willen houden.

DNB en het CPB staan niet achter het advies omdat ze tegen het verlengen van WW-uitkeringen zijn, net nu het kabinet ze wilde verkorten. Een kortere uitkering is volgens hen het beste medicijn tegen werkloosheid.