Oorlog voer je niet voor de islam alleen

Opnieuw wappert een islamitisch vaandel boven het slagveld. Is de islam agressief? Niet meer of minder dan andere religies. Er zijn veel motieven om oorlog te voeren en religie versterkt het moreel.

The David Collection

Er waart een spook door Europa, het spook van de jihad. Islamitische Staat (IS) bezet de Irakese stad Mosul, belegert Kobani aan de Turkse grens en heeft inmiddels een steunpunt in Libië – 350 kilometer van Italië. Bij Europeanen met een historisch besef roept deze opmars onder de zwarte vlag met de shahada (islamitische geloofsbelijdenis) herinneringen op aan 1683. Toen belegerden troepen van de Osmaanse sultan, onder de banier met het tweepuntige zwaard van Ali, drie maanden lang Wenen. Ze werden uiteindelijk verslagen door legers van het Heilige Roomse Rijk en van het koninkrijk Polen-Litouwen.

Bij Wenen kwam een einde aan wat Sayyid Qutb (1906-1966), de Egyptische grondlegger van het moderne moslimfundamentalisme, ‘de eerste ronde’ noemde. Hij doelde op de eerste duizend jaar van contacten tussen de christelijke en de islamitische wereld, toen de islam nog een militair overwicht had. Volgens Qutb heeft de islam in de huidige tijd een nieuwe kans om het Westen te verslaan. Dat is niet langer het werk van staten, schreef hij in Ma’alim fi al-Tariq (Wegwijzers, 1964), maar van particulier initiatief, een voorhoede van waarachtige moslims die zich spiegelen aan de metgezellen van de Profeet.

Hun methode is jihad, oorlog ‘op Gods weg’, niet om de islam te verdedigen tegen vijanden, maar om de politieke en maatschappelijke obstakels op te ruimen voor Gods heerschappij op aarde. Islamitische Staat koestert Qutbs gedachtegoed. Vreedzame middelen kunnen geen islamitische samenleving scheppen, vinden deze scherpslijpers. En jihad kent geen mededogen met ‘afvalligen’ en ‘ongelovigen’.

Zijn deze leerstellingen en navenante praktijken nu ‘de islam’? Is dit de kern van een in wezen agressieve religie? Sinds de uitroeping van een kalifaat in delen van Syrië en Irak, de onthoofding en verbranding van IS-gevangenen en de aanslagen in Brussel, Parijs en Kopenhagen klinkt die vraag steeds luider.

Het antwoord op die vraag is simpel. Wie de hele geschiedenis in ogenschouw neemt, ziet: ‘de islam’ is niet agressiever of vredelievender dan ‘het christendom’, ‘het hindoeïsme’ of ‘het boeddhisme’. Sommige islamitische groepen zijn agressief, andere helemaal niet. Religies hebben geen karaktereigenschappen; ze bestaan niet los van mensen en buiten de sociale verhoudingen van hun tijd.

Want is ‘de islam’ wat er staat in de Koran of in de overleveringen over het leven van de profeet Mohammed (hadith)? Moslims, van wetgeleerden en theologen tot amateur-exegeten op het internet, jongleren met die teksten, maar die bieden weinig houvast. De Koran is, anders dan het Oude en Nieuwe Testament, geen bundel wetten en verhalen, maar een vaak moeilijk te doorgronden compendium van bijbelepisodes, reacties op gebeurtenissen in Arabië en vermaningen aan de jonge moslimgemeente. De toonzetting van Koranteksten verandert met de omstandigheden waarin de gemeente verkeert.

Veel uitspraken over ‘de islam’ suggereren een monolithische, onveranderlijke kern, die wars is van vernieuwing en improvisatie. In werkelijkheid is deze religie een lappendeken van gemeenschappen met eigen tradities en interpretaties van het heilige boek. Er is in de islam geen wereldomspannende religieuze hiërarchie, geen Congregatie voor de Geloofsleer, geen centrale religieuze wetgeving.

Religieuze autoriteiten, van marabouts in Senegal tot kyai op Java, verschillen van mening over de actuele betekenis van de goddelijke openbaring en de uitspraken van de Profeet. Er bestaan grote verschillen in geloofsbeleving tussen wahabieten – geloofszuiveraars uit Saoedi-Arabië – en de dansende derwisjen van de mystieke Mevlevi-orde in Turkije. Om nog maar te zwijgen van de diepgaande meningsverschillen tussen soennieten en sji’ieten over de status van Ali, neef en schoonzoon van Mohammed.

Het begin: De eerste expansie

Wie toch iets wil zeggen over het al dan niet agressieve karakter van de islam, kan alleen kijken naar het gedrag van gemeenschappen of staten die zich beroepen op de islam. En daarbij moet je je steeds afvragen of dat gedrag is ingegeven door religieuze of door andere motieven.

Hedendaagse jihadisten en ook de islamcritici – de overeenkomsten zijn opvallend – verwijzen steevast naar de spectaculaire veroveringen onder de eerste kaliefen, opvolgers van Mohammed als leiders van de geloofsgemeenschap. De jihad, zeggen zij, begon in de zevende eeuw. Zo schrijft Qutb in ‘Wegwijzers’: „Bevrijding van de mensheid uit onderwerping aan anderen, zodat zij Allah kan dienen, was het enige motief in de harten der vroege moslimstrijders. Als men hen had gevraagd ‘Waarom vechten jullie?’ dan had niemand geantwoord ‘Mijn land is in gevaar’; ‘De Perzen en Byzantijnen bedreigen ons’ of ‘We willen ons gebied uitbreiden en willen meer buit’.”

Historica en arabiste Petra Sijpesteijn is hoogleraar Arabische taal en cultuur aan de Universiteit Leiden. Zij maakt studie van zevende- en achtste-eeuwse Egyptische papyri, unieke geschreven bronnen over de vroege islam. Zij vertelt: „De Arabieren en anderen die de veroveringen tot een succes maakten, werden door veel motieven gedreven. Avontuur, nieuwsgierigheid, hebzucht. Sommigen hadden zeker ook religieuze motieven, maar we zouden die nu niet als islamitisch herkennen.

„Er lijkt een zekere urgentie geheerst te hebben onder de veroveraars, ideeën dat het einde der tijden nabij was en dat voor die tijd een zo groot mogelijk gebied onderworpen moest worden aan hun heerschappij. Of dit het leidende sentiment was, is niet zeker. We zien dat vooral in hadiths die twee eeuwen later zijn opgeschreven.

„In mijn papyri, die toch al uit die veroveringsperiode stammen (de vroegste is van 643), is daar niets van te merken. Daarin zie je vooral de praktische kant van de veroveringen: zorgen dat soldaten voldoende soldij krijgen, dat hun families voldoende te eten hebben en dat de volgende vloot voor weer een aanval op Constantinopel is uitgerust. Er komt geen religie bij kijken, laat staan islam.”

Sijpesteijn geeft een anekdote. „Toen de Arabische legeraanvoerder Amr bin al-As naar kalief Umar schreef om te vragen of hij Egypte mocht veroveren waren zijn argumenten: ‘Egypte is de rijkste provincie en hij is slecht verdedigd.’ Geen woord over islam. Ik geloof niet dat religieuze denkbeelden doorslaggevend waren. Een voor ons herkenbare islam, inclusief de idee van jihad met al zijn facetten, is pas eeuwen later ontstaan.”

Het nieuwe rijk: Osmaanse expansie

We maken een sprong in de tijd. Na de Turkse verovering van Egypte in 1517 is een groot deel van de islamitische wereld opgenomen in het Osmaanse Rijk. In de achttiende eeuw werd de sultan tevens kalief, leider der gelovigen. Was deze Osmaanse expansie dan misschien geïnspireerd door de islam?

Erik-Jan Zürcher, hoogleraar Turkijestudies in Leiden: „Over deze vraag is al heel lang een historisch debat gaande. Lange tijd domineerde de visie van de Oostenrijke oriëntalist Paul Wittek (1894-1978). De Osmanen, zei Wittek, hadden een heel heterogene achtergrond, maar wat hen samenbond en wat uiteindelijk de drijfveer was achter hun vroege expansie, was de religieuze motivatie. Sinds de jaren tachtig is die visie bekritiseerd. Nu geldt het werk van Cemal Kafadar van Harvard als de standaard en die trekt de religieuze motivatie sterk in twijfel. Hij laat zien dat in hun vroegste fase (veertiende, vijftiende eeuw) de Osmanen net zo vaak tegen moslims als tegen christenen streden en dat veel christenen – die zich niet altijd bekeerden – met hen meevochten.”

Ideologisch maakten de Osmaanse sultans wel steeds een groot punt van hun rol als verbreiders van de islam, zegt Zürcher. „Met name in hun propaganda in de rest van de islamitische wereld. Ze kwamen uit een randgebied van de islam (de grens met Byzantium in noordwestelijk Anatolië) en hun afkomst was obscuur. Ze waren niet verwant aan de profeet, waren zelfs geen Arabieren en gebruikten hun successen in de oorlogvoering in Europa dus om zich tegenover andere grote dynastieën in het Midden-Oosten legitimiteit te verwerven. En de islam was ook een belangrijke factor bij de motivatie van de troepen. Maar onder het ideologische vernis ging meestal gewoon machtspolitiek schuil.”

Verval: Koloniale vernedering

Na het mislukte beleg van Wenen in 1683 houden de Osmaanse militaire veroveringen op en begint voor het rijk een periode van gestaag verval. In de achttiende en negentiende eeuw moet het geleidelijk meer gebied afstaan aan Europese mogendheden. Na de Eerste Wereldoorlog valt het rijk uiteen en wordt een groot deel van het Midden-Oosten verdeeld tussen Engeland en Frankrijk. Mustafa Kemal, bijgenaamd Atatürk, seculier leider van de rompstaat Turkije, maakt in 1924 een einde aan het kalifaat. Het grootste deel van de islamitische wereld, van Marokko tot Indonesië, staat dan onder koloniaal bestuur.

Moslimintellectuelen, van Brits-Indië tot Egypte, beschouwden dit koloniale bestuur als een grote nederlaag. Zij waren verdeeld in twee kampen. Het ene kamp vond dat de kolonisatie een einde kon maken aan de economische en wetenschappelijke achterstand in de islamitische wereld. Deze groep beschouwde de westerse overheersing als een uitdaging tot modernisering en hervorming.

Het andere kamp zag bevrijding van het kolonialisme als voorwaarde voor behoud van de islamitische identiteit. Het wilde het zelfvertrouwen van moslims herstellen door terug te keren tot het geloof en afwijzing van alles wat westers was. Tot die tweede stroming behoorde de Egyptenaar Hassan al-Banna (1906-1949). Hij stichtte in 1928 de Moslimbroederschap, de oudste en grootste organisatie van moslimfundamentalisten ter wereld. Al-Banna vond het geloof van moslims verwaterd en wilde de islam weer de leidraad maken voor alle aspecten van het leven. Zijn leuze: ‘Islam is de oplossing’.

Na de Tweede Wereldoorlog kregen seculiere nationalisten de overhand in het Midden-Oosten. Maar deze postkoloniale staten waren weinig succesvol. Hun economieën stagneerden en in 1967 en 1972 leden Arabische legers verpletterende nederlagen tegen het door het Westen bewapende Israël. Het seculiere nationalisme raakte in diskrediet en kwam onder scherpe kritiek van de Moslimbroederschap. En die werd nog eens aangescherpt door Sayyid Qutb.

Volgens Qutb verkeerden moslimsamenlevingen in een staat van jahiliyyah (duisternis), de onwetendheid die bestond in de pre-islamitische Arabische wereld. Hij weet dit aan ‘afvallige’ heersers als de Egyptische president Nasser en ‘Arabische socialisten’ in Irak en Syrië. Bestrijding van deze ‘farao’s’ van het Midden-Oosten vond Qutb een opdracht voor iedere moslim. In 1966 werd hij daarom door het bewind van Nasser berecht en opgehangen. Zijn opvattingen over geweld tegen ongelovigen zijn de ideologische brug naar het gewelddadige jihadisme van later datum. Osama bin Laden zei dat hij ‘Wegwijzers’ als jongeman had verslonden. Qutb’s volgelingen, verenigd in Al-Jihad, vermoordden in 1981 Nassers opvolger, president Anwar Sadat.

Moderne jihad: Drie soorten salafisten

In 1979 breekt in Iran de Islamitische Revolutie uit onder de charismatische sji’iëtenleider Khomeiny. Saoedi-Arabië voelt zijn leiderspositie in de islamitische wereld bedreigd door deze ‘ketter’ en zet petrodollars in ter verbreiding van zijn eigen variant van de soennitische islam: het salafisme, onder de naam ‘wahabisme’ staatsreligie in het koninkrijk. Dankzij een krachtig gefinancierde prediking en een genereus beurzenbeleid kreeg deze stroming het tij mee.

Het salafisme, een minderheid, maar wel één van de snelst groeiende islamitische bewegingen ter wereld, heeft oude wortels op het Arabische schiereiland. Daar doken in de loop der eeuwen steeds opnieuw geloofszuiveraars op uit de woestijn om de zweep te halen over het morele verval in de steden Mekka en Medina. Salafisten willen terug naar de overtuigingen en authentieke praktijken van de eerste generaties moslims, de Salaf al-Saleh (vrome voorvaderen). Vandaar de naam.

Alle jihadisten zijn salafisten, maar lang niet alle salafisten kiezen voor geweld. Ook deze minderheid is verdeeld, en wel in drie groepen. De kleinste en radicaalste groep roept op tot gewelddadige actie tegen de bestaande orde en tot vestiging van een islamitische eenheidstaat, die zij kalifaat noemen. Dit zijn de jihadisten die voortdurend in het nieuws zijn.

De tweede groep pleit voor geweldloze politieke actie in zowel islamitische als niet-islamitische samenlevingen. De derde groep wil niet in de schijnwerpers treden en is gezagsgetrouw. Volgens hen zijn alle vormen van openlijke organisatie en actie, laat staan geweld, verboden, omdat die leiden tot onenigheid (fitna) onder moslims.

Salafisten bedienen zich van een gespierd taalgebruik dat indruk maakt en een gevoel van macht geeft. En hun ideologie bevat meer aantrekkelijke elementen: egalitarisme; vasthouden aan het authentieke; ondiepe gezagsstructuren – het is heel makkelijk om voorganger te worden. Voor jonge moslims die zich in het Westen niet thuis voelen, biedt salafisme een nieuwe identiteit, los van traditionele keurslijven. Via het internet ontstond zo een virtuele gemeenschap van gelijkgezinden.

Het salafisme in zijn meest militante, jihadistische variant biedt sommige jongeren helderheid, structuur, heroïek. Van niemand iemand worden; van marginale Noord-Afrikaan of Europeaan lid van de strijdende voorhoede van moslims. Zo neemt de virtuele geloofsgemeenschap reële vormen aan in arena’s waar medemoslims slachtoffer worden van wapengeweld: eerst Afghanistan onder Sovjet-marionetten; vervolgens Irak en Syrië.

Blijkt uit dit alles dat ‘de islam’ agressief is? Nee. De islam is in de loop der geschiedenis, net als het christendom, gebruikt ter legitimering van machtspolitieke ambities en militaire veroveringen. Wat betreft het hedendaagse jihadisme: veel moslims voelen zich misdeeld in een mondialiserende wereld. In de Osmaanse en koloniale periode was er alleen het wankele houvast van vergane glorie. Nu, in een nieuw machtsvacuüm, veroorzaakt door de Amerikaanse inval in Irak van 2003 en de afbraak van de Irakese staat, herstelt een extremist het kalifaat. Dat laat de meeste moslims koud. Maar een minderheid, die zich gekleineerd en miskend voelt, krijgt een adrenalinestoot als deze mannen in zwart het arrogante Westen vernederen.