Oma van het hele volk

Eindelijk is nu de 19de-eeuwse Tsjechische klassieker Babicka (Grootmoeder) in Nederlandse vertaling verschenen.

Vraag aan een willekeurige Tsjech of hij ooit Babicka (Grootmoeder) heeft gelezen en de kans is groot dat hij de eerste regels nog kent: ‘Lang, lang geleden is het al dat ik voor het laatst haar lieve, zachtmoedige gelaat heb aanschouwd, ik de bleke gerimpelde wangen ervan heb gekust en ik haar in de blauwe ogen heb gekeken waaruit zoveel goedheid en liefde sprak.’

Grootmoeder is een wezenlijk onderdeel van het Tsjechische nationale bewustzijn. Anderhalf eeuw geleden heeft Božena Nemcová (1820-1862), wellicht de belangrijkste Tsjechische prozaschrijfster van de 19de eeuw, haar grootmoeder geportretteerd in deze roman, die in een lyrische, sfeervolle vertaling van Kees Mercks verscheen.

De Nederlandse versie heeft lang op zich laten wachten, maar dankzij Mercks en de in 2004 opgerichte Stichting Babicka kunnen nu ook Nederlandse lezers genieten van deze klassieker. Het vertederende boek heeft illustraties van de Tsjechische kunstenaar Vladimír Tesar, die naar ‘Grootmoeders Vallei’ in Noord-Bohemen afreisde om een indruk te krijgen van het landschap, de bebouwing en de sfeer.

De mooie, intelligente Nemcová, zelf moeder van vier kinderen, was een graag geziene gast in de Praagse salons en was bevriend – soms innig – met een aantal van de meest vooraanstaande schrijvers van haar tijd. Zowel zij als haar echtgenoot, van wie ze later zou scheiden, waren actief in de Tsjechische Nationale Wedergeboorte, de beweging die streefde naar een eigen, Tsjechische identiteit binnen het Duitstalige Oostenrijkse Keizerrijk.

Het jaar 1853 was bijzonder zwaar voor Nemcová: haar jonge zoon Hynek overleed en ze werd zelf ook ernstig ziek. Ze zocht troost in het schrijven van Babicka, waarin ze naast herinneringen aan haar kinderjaren en haar geliefde oma ook haar zorgen verwerkte over de Tsjechische nationale identiteit. Het boek werd in 1855 uitgegeven en meteen als meesterwerk binnengehaald, maar het bezorgde haar geen zorgeloze toekomst. Zeven jaar later stierf Nemcová, alleen, verarmd en slechts 42 jaar oud. Ze liet een veelzijdig oeuvre na, waaronder korte verhalen, haar beroemde roman, etnografische artikelen en een levendige briefwisseling.

Grootmoeder is het gefictionaliseerde en geïdealiseerde verhaal van Nemcová’s kinderjaren in Noordoost-Bohemen. Grootmoeder Madlena, een weduwe uit een bergdorpje bij de grens met Silezië, is een sterke, wijze, barmhartige vrouw die bij haar dochter en vier kleinkinderen intrekt. Voor grootmoeder is de nieuwe omgeving even wennen, maar ze wint meteen het hart van de kinderen, vooral de oudste, Barunka. In het ‘verrukkelijke valleitje’ waar de familie woont, vloeien de seizoenen in elkaar over. Verhalen worden verteld en herverteld, er wordt getrouwd en getreurd, er is leven en dood en nieuw leven. Maar wat er ook om haar heen gebeurt, grootmoeder houdt zich vast aan haar geloof, kruiden en spinnewiel.

Ze bewaart haar verleden zorgvuldig, in een beschilderde kledingkist. Die wordt soms opengemaakt om de inhoud liefdevol aan de kleinkinderen te tonen. Gelukkig voor de lezer kan grootmoeder ook lekker fel zijn: ‘Voorzichtigheid is geboden, knoop dat maar in je oren.’ En: ‘Wie van mij geen brood met zout aanneemt, is het niet waard dat ik hem of haar een stoel aanbied.’ Tegelijkertijd is zij een bron van troost, niet alleen voor de kleinkinderen, maar voor het hele dal. Zelfs de plaatselijke vorstin, die ondanks haar adellijke afkomst een hechte band heeft met de ‘volkse’ grootmoeder, is onder de indruk: ‘Wat een gelukkige vrouw!’

Hoewel, ‘gelukkig’ is niet het eerste woord dat in je opkomt als je deze oma beter leert kennen. Ze heeft eerder iets melancholisch, ze verlangt ernaar weer met haar overleden man herenigd te zijn. Tot die tijd doet ze wat ze kan voor de mensen van wie ze houdt. Ze weet uit eigen ervaring: ‘geen leven zonder strijd’, zelfs in de verrukkelijke vallei. Zo lezen we over Viktorka, het dorpsmeisje dat na een noodlottige verhouding met een soldaat krankzinnig wordt en haar pasgeboren kindje in de rivier gooit; de waterramp die de huisjes in het dal en omgeving vernietigt; Grootmoeders pijnlijke herinneringen aan de oorlog en het verlies van haar Jirí. Deze gebeurtenissen staan niet los van het trage, idyllische leven dat de roman beschrijft, integendeel: ze horen erbij. We moeten ze aanvaarden, en doorgaan. Wel met het besef van de kwetsbaarheid van het leven. Of zoals grootmoeder tegen ‘mevrouw de vorstin’ zegt: ‘Zo is het zo vaak, we waarderen pas wat we hebben wanneer we het dreigen te verliezen.’