Mijn werken kunnen heel goed zonder mij

De architect van de Erasmusbrug werkt nu aan de metro van Qatar. Ben van Berkel over zijn groeiende vakmanschap. „Ik zie architectuur niet als kunst maar als een sociale machine.”

Ben van Berkel. „Vroeger kon een architect mensen verbieden om plantjes in de vensterbank van hun kantoorgebouw te zetten. Dat is allang niet meer zo.” Foto Robin Utrecht

De vitrines langs de werkruimtes van UNStudio staan vol met maquettes. Het is het Land van Belofte; een piepschuimen wereld van nooit gerealiseerde kronkelende woontorens, imaginaire musea en nog te verrijzen concertzalen. Architecten balanceren nou eenmaal altijd tussen droom en daad. „De meeste dingen waar je van droomt gaan uiteindelijk niet door.”

Toch heeft Ben van Berkel weinig te klagen. Twintig jaar geleden ontwierp hij als jonge architect de Erasmusbrug in Rotterdam, daarna volgden vele tientallen andere prestigieuze projecten. Van Berkel (58) bouwde met UNStudio het Mercedes-Benz Museum in Stuttgart, het Muziektheater in Graz en Ardmore Residence in Singapore. In Nederland verrezen onder meer het Agora-theater in Lelystad, het DUO en Belastingkantoor in Groningen en theater De Stoep in Spijkenisse. Zijn grote stationsproject in Arnhem moet eind dit jaar klaar zijn. Dat wordt niet zomaar een station, maar een heuse ‘transferlocatie’, compleet met trein- en busstation, parkeergarage en fietsenstalling. „Met een dragende kolom met een twist erin, die zestig meter overspant.”

Op dit moment werkt een groot deel van de honderdveertig medewerkers van UNStudio aan een van de grootste opdrachten die het bureau ooit kreeg: het ontwerpen van vier metrolijnen voor Qatar. In totaal moeten binnen vijf jaar ongeveer vijfendertig metrostations gerealiseerd worden, elk met een eigen karakter en uitstraling. Van Berkel kreeg de opdracht mede door zijn eigenwijsheid. „Toen we de plattegronden kregen hebben we gekeken hoe de passagiersstromen zouden lopen. We constateerden dat de roltrappen en de liften op de verkeerde plekken zaten. Dat hebben we tegen Qatar Rail gezegd: ‘Die ruimte is niet goed. Bovendien zijn de roltrappen niet lang genoeg.’ Daar waren ze van onder de indruk.”

Het was niet voor het eerst dat hij met een eigengereid verhaal een opdracht binnenhaalde. Bij zijn bespreking over het plan voor het Agora-theater in Lelystad had Van Berkel geen maquette meegenomen, hij kwam met een verháál. Volgens sommigen was het oude licht van de grote Hollandse Meesters in de polder nergens meer te vinden. De boosdoener was de Afsluitdijk. Door de afsluiting van de open zee zou de lichtbeleving definitief veranderd zijn. „Ik heb middagen langs het IJsselmeer gereden en ontdekt dat dat niet waar was. Ik zag bij het opkomen van de zon nog wel degelijk dat spectaculaire gouden licht als op de schilderijen van Hobbema. Dat zei ik tegen de wethouder: Ik wil een theater maken dat doet denken aan de zon die opkomt in de polder. Dat zag hij direct zitten.”

Het gaat hem nooit puur om de architectuur, zegt Van Berkel. „Architectuur is een decor waar je mensen bij elkaar brengt. Daarom is de kritiek op architecten die grote shoppingcenters maken ook onterecht. Het hangt er maar vanaf wat voor draai je eraan weet te geven. Wij hebben de Galleria Centercity gemaakt, een enorm winkelcentrum in Cheonan (Zuid-Korea). Als je daar binnenkomt is het net een museum. Elk object is geïnstalleerd alsof het een kunstwerk is. Het Atrium is een Guggenheim-achtige ruimte. En toch is het een winkelcentrum. Daarmee probeer ik te benadrukken wat architectuur kan doen. Terwijl je inkopen doet, beland je even in een andere sfeer. Ik zie architectuur niet als kunst maar als een sociale machine.”

Het plezier zit ’m niet in de omvang van een project. Neem Theater De Stoep in Spijkenisse. Dat is voor Van Berkel een voorbeeld van een echt goed gelukt gebouw. „Een klein maar rijk theater.” De akoestiek is bovendien opvallend; wanneer in de ene zaal een popconcert plaatsvindt kan in de zaal ernaast zonder problemen een klassiek koor optreden. „Als kind ging ik veel mee naar het theater. Mijn moeder zong, dus we bezochten veel klassieke-muziekuitvoeringen. En ik weet al sindsdien: als de akoestiek niet deugt, heb je geen theater. Dan werkt helemaal niks meer.” Van Berkel construeerde de zalen als „een doos in een doos”. „Doordat ze geen contact maken met elkaar gaat er geen enkele trilling van de ene naar de andere zaal. In Lelystad hebben we beide zalen om die reden zelfs een eigen fundament gegeven. Het mooie is dat je tegenwoordig met computersimulaties de akoestiek van de zaal vooraf kunt beluisteren. Je kunt op rij zeven stoel zes gaan zitten en vervolgens precies ervaren hoe de klank daar is, inclusief de nagalm.”

Het gaat goed met UNStudio. Het bureau is de crisis doorgekomen zonder ontslagen. Maar architectuur blijft een lastig vak. „Ik heb respect voor iedere architect die zich de afgelopen jaren staande heeft gehouden. Het is loodzwaar geweest. Toen ik Qatar binnenhaalde kon ik ineens veertig mensen extra aannemen. Maar het is ook minder gegaan. Niet omdat we te weinig werk hadden, maar vooral omdat we zo internationaal werken. Nog maar vier procent maken we hier in Nederland, voor de rest zijn we in zo’n vijftien landen bezig. Daar betalen ze anders. Je werk loopt altijd vooruit op de betaling. In 2013 moest ik om die reden fors bezuinigen. Zeer economisch omgaan met reizen, niet meer meedoen aan prijsvragen, maar draaien op het werk dat je hebt.”

Want zo werkt acquisitie voor architectenbureaus; een groot deel van de opdrachten wordt binnengehaald via prijsvragen. Dat is een moeilijk en frustrerend traject, vindt Van Berkel. Hij haalt maximaal twintig procent binnen van alles waar zijn bureau aan meedoet. „Terwijl je er elke keer wel heel veel in moet investeren, soms tonnen. Bij sommige projecten heb je ook nog ’ns drie of vier fases. Als je zo’n opdracht uiteindelijk binnenhaalt, is het heel moeilijk om nog een klein beetje winst te maken.”

Neem zijn Mercedes-Benz Museum in Stuttgart, uit 2006. Het ellipsvormige gebouw waarvan de betonnen wanden zich dansend lijken te onttrekken aan de zwaartekracht werd het paradepaardje van UNStudio. Hij verdiende er maar weinig aan. „De gecompliceerde constructie vroeg om veel overleg met ingenieurs. Maar goed, het is wel je visitekaartje geworden. Ik heb zo enorm veel van dat gebouw geleerd. Daar profiteer ik nog dagelijks van. Er zit bijvoorbeeld een heel bijzonder rookdetectiesysteem in. Als er ergens rook is, wordt die direct in een soort tornado weggezogen. Dan is de rook binnen tien minuten weg. Door dat systeem hoefden er geen glazen tussenwanden aangebracht te worden, en konden alle ruimtes open blijven. Daardoor konden we het gebouw met vijftien procent minder materiaal maken. En we werkten voor het eerst met ‘betonkernactivering’; je verwarmt het beton ’s morgens drie uur, daarna blijft het gebouw de hele dag op temperatuur. In de zomer koel je het, en werkt het andersom. Zo reduceer je de energiekosten bijna met de helft.”

Van architectuur word je niet rijk, zegt Van Berkel. „Hooguit een beetje tegen je zeventigste. Dit is een heel traag vak. Je moet minstens vijfentwintig jaar bezig zijn voordat je naam begint te krijgen. Dan krijg je de echt grote opdrachten binnen.” Daarom was het opmerkelijk dat juist Van Berkel begin jaren negentig de opdracht kreeg voor de Erasmusbrug. Toen was hij pas halverwege de dertig. Het was de opdracht van zijn leven, besefte hij. Zijn beide ouders kwamen uit Rotterdam. Ze hadden het bombardement meegemaakt, kenden de geschonden stad van dichtbij. En dat uitgerekend hun zoon het laatste element van de wederopbouw voor zijn rekening mocht nemen raakte hun diep. „Toen ik mijn vader vertelde dat ik die brug ging bouwen riep hij: ‘Jongen, als dát waar is, dan is dat het mooiste cadeau dat ik ooit heb gekregen.’ In de verhalen van mijn vader ging het altijd over de oorlog, over de verwoeste stad. Ik heb hem zo vaak horen vertellen hoe de scherven na het bombardement door de kamer vlogen. En dat ik dan nu die brug mocht maken. Ik dichtte daarmee een beetje de kloof in hun hart. Toen de brug geopend werd door Beatrix en burgemeester Peper stonden ze samen vooraan, diep ontroerd.”

Hoe is het om zo’n project uit handen te moeten geven? Eerst is het uw ontwerp, daarna bouwt u uw brug. En daarna wordt het de brug van alle Rotterdammers.

„Daar gáát het juist om: dat de stad het van je ‘overneemt’. Dat is het mooiste compliment dat je als architect kunt krijgen. In dit vak hoor je een altruïst te zijn. Wie vooral voor zichzelf wil bouwen is een verloren architect. Mijn gebouwen moeten iets betekenen voor de stad. Je hoeft ze niet mooi te vinden, maar ze moeten je wel raken. En mensen moeten er weer naar terug willen. Zoals je een mooi boek nog een keer wilt lezen. Ik zag laatst As you like it van Shakespeare, door het Nationale Toneel. Een hele avond ongelofelijk genieten. Toen ik eruit kwam dacht ik: dit wil ik nog minstens twee keer zien. Zúlke gebouwen wil ik maken.”

Er zijn veel voorbeelden van gebouwen waar de architect heel tevreden over is, maar waar de mensen die er moeten werken doodongelukkig van worden. Het VPRO-gebouw in Hilversum bijvoorbeeld. Zou het niet een goede regel zijn dat architecten die een kantoorpand opleveren verplicht worden er eerst zelf een jaar in te werken?

„Ik weet dat dat VPRO-gebouw een van de eerste constructies was van die architect. Het moeilijke van ons vak is dat je pas bij pakweg je tiende gebouw begint te snappen waar het allemaal om gaat. Tegenwoordig gaat dat ook anders. Vroeger kon een architect mensen verbieden om bijvoorbeeld plantjes in de vensterbank van hun kantoorgebouw te zetten. Dat is allang niet meer zo.”

U hebt inmiddels zo’n vijftig grote projecten op uw naam. Waaraan merkt u dat uw vakmanschap groeit?

„Als beginnend architect wil je dertig ambities in je gebouw kwijt. Nu wil ik er nog hooguit drie kwijt. Daardoor wordt het conceptueel sterker. Bij de Erasmusburg had ik één sterke associatie: ik probeerde in de vorm iets van de haven te laten zien. De knikkende kranen, de robuustheid, als verwijzing naar de geschiedenis van Rotterdam. Waarom vinden mensen die brug mooi? Omdat-ie krácht uitstraalt. Het lijkt of die brug uit alle macht trekt om Noord en Zuid bij elkaar te krijgen. Zo’n brug zou op een andere plek helemaal niet werken. Ik was laatst in Nemo. Daar hadden ze een maquette van de brug staan, los van zijn context. Ik vond ’m totaal oninteressant.”

Wie is eigenlijk de baas bij een gebouw; de opdrachtgever of de architect?

„Als ik er echt niet in geloof dan doe ik het niet. Maar meestal gaan meningsverschillen over details. Iemand wil bijvoorbeeld een houten vloer met vloerverwarming. Dan zal ik zeggen dat dat niet handig is, omdat de straling en de warmte onder het hout blijven hangen. Ik heb nog nooit meegemaakt dat een opdrachtgever daar niet voor openstond. In het begin van mijn loopbaan ben ik weleens in een project gestapt waar ik beter uit weg had kunnen blijven. Parkeergarage De Kolk in Amsterdam nam ik aan zonder dat ik zelf de uitvoerend architect zou zijn. Dat had ik nooit moeten doen. Zoiets zit me nog altijd dwars. Ik zou willen dat ik er nog iets aan kon veranderen.”

Mannen als Borromini en Bernini, de architecten van Rome, bouwden voor de eeuwigheid. Doet u dat ook?

„Die gedachte zou ik hoogst aanmatigend vinden. Het gaat er helemaal niet om dat jouw naam eraan verbonden blijft. Die gebouwen kunnen heel goed zonder mij. Zolang ze maar goed blijven werken in hun omgeving. Dat is waar het om draait in mijn vak: via gebouwen het leven mooier en lichter maken. Goede architectuur tilt mensen op en maakt ze heel even groter dan zijn ze zijn.”