‘Mijn vrienden zijn mijn familie’

Irene Blasczyk (53) is Duitse en kwam in Nederland terecht door haar fascinatie voor de Nederlandse taal. „Ik ben altijd een grensganger geweest, net als mijn ouders.”

Irene: „Mijn moeder is zich later gaan verdiepen in de oorlog en kreeg zo nieuwe inzichten.” Foto David Galjaard

Tweede Wereldoorlog

„Door het roerige verleden van mijn ouders, beiden geboren in 1925, ben ik geschiedenis gaan studeren. Ze behoorden tot de Duitse minderheid in Opper-Silezië, nu Polen. Mijn vader werd in 1945 krijgsgevangene gemaakt door de Tsjechen. Vanuit een kamp in Oostenrijk is hij naar de Amerikaanse zone in het bevrijde Duitsland gevlucht, waar hij veilig was. Mijn moeder vluchtte voor het Russische leger uit met de docenten en leerlingen van haar school naar Dresden. Zij en een vriendin kwamen toevallig terecht in een dorp buiten de stad, zo heeft ze het bombardement op Dresden in februari 1945 overleefd, waarbij alle medeleerlingen omgekomen zijn. Via het Rode Kruis hebben mijn ouders elkaar teruggevonden, ze waren al op hun achttiende verloofd.”

„Heel veel Duitsers hebben zulke verhalen, het hele land was na de oorlog op drift geraakt. Daarom interesseert de Tweede Wereldoorlog mij zo. Mijn beide ouders waren in hun jonge jaren enthousiast over de nazi-ideologie. Mijn moeder is zich later gaan verdiepen in de oorlog en kreeg zo nieuwe inzichten. Op een dag, in de jaren tachtig, zei ze tegen mij: ‘Ik ben genezen’. Daarmee bedoelde ze: ‘Ik snap nu dat de nazi’s er helemaal naast zaten’. Mijn vader is al op zijn 53ste overleden, hij was niet zo’n prater. Ik denk dat zijn ‘genezing’ ook gekomen was, als hij tijd van leven had gehad.”

Passie voor Midden-Europa

„Het verleden drukt niet op me, misschien omdat mijn moeder er altijd veel over heeft gesproken. Door mijn werk kom ik daders en slachtoffers van de oorlog tegen. Die leeft nog steeds, ook onder nieuwe generaties. Naarmate ik ouder word, begrijp ik steeds minder hoe mensen elkaar verschrikkingen als Auschwitz kunnen aandoen. Ik heb een passie voor Midden-Europa ontwikkeld. In het kader van een cursus Pools heb ik diverse malen Auschwitz bezocht, ik ben een paar keer in Warschau en Krakau geweest, ik heb een poosje Hongaarse les gehad, ik lees over die landen, bekijk documentaires. Maar Polen is mijn grote liefde. Ik kan me wel voorstellen dat ik een paar jaar in Polen ga wonen, maar nu spreek ik de taal nog niet goed genoeg.”

„Ik ben in Nederland terechtgekomen door mijn fascinatie voor de Nederlandse taal, die ik hoorde bij Nederlandse vrienden van mijn ouders. Ik ging Middelnederlands studeren in Utrecht, wilde onderzoeker worden, maar ben uiteindelijk in het onderwijs in Duitsland en Nederland terechtgekomen en later bij het Gelders Archief. Het is opvallend dat ik altijd een grensganger tussen Nederland en Duitsland ben geweest, net als mijn ouders op de grens van twee talen opgroeiden.”

Geen workaholic

„Ik werk fulltime, dat moet ook wel, want mijn kale huur bedraagt 800 euro. Als ik met pensioen ga, wordt dat te duur. Dan ga ik met anderen maar een leegstaand klooster kraken ofzo, al zal ik dan wel eerst viervijfde van mijn huisraad weg moeten doen.”

„Ik ben geen workaholic. Dat ben ik wel geweest, maar dat was niet goed voor me. Het gaf geen voldoening, alleen maar werken, ik raakte opgefokt. Ik was soms zo moe dat ik niet meer aan mijn passies toekwam. Dat is een bewustwordingsproces geweest. Nog steeds heb ik te weinig vrije tijd. Maar als ik minder ga werken, heeft dat ook als nadeel dat ik de collega’s en bezoekers minder zie. Die zou ik missen.” „Mensen zijn belangrijk voor me, net als de bronnen die je in archieven vindt. In die zin lijkt het archief op het onderwijs: ik breng mensen en kennis samen.”

„Ik heb tot mijn 32ste in woongroepen gewoond, daarna moest ik wel wennen aan alleen wonen. Ik vind het prima om single te zijn en geen eigen kinderen te hebben. En ik hou van mensen; mijn vrienden zijn mijn familie.”

Kringloopwinkels

„Ik geef veel geld uit aan de huur van mijn appartement. Verder koop ik redelijk wat boeken, want ik wil de lokale boekhandels steunen. Ik geef ook geld uit aan taalcursussen, zoals Pools en Jiddisch. En ik reis veel per trein, naar kringloopwinkels. Ik vind er gekke oorbellen of boeken die uit de handel zijn. Vanaf het station loop ik daar dan heen, dan kom je door wijken waar je anders nooit komt. Dat rondkijken vind ik leuk. Sparen doe ik ook, mocht ik ooit werkloos of arbeidsongeschikt raken, dan heb ik tenminste een buffertje.”

„In mijn vrije tijd wandel ik veel, voornamelijk in steden. Enkele jaren geleden heb ik het Westerborkpad gelopen, een langeafstandswandeling van de Hollandse Schouwburg in Amsterdam naar voormalig kamp Westerbork. Al lopend komen oplossingen voor bepaalde problemen vanzelf aanwaaien. Misschien omdat je met iets heel anders bezig bent dan met je werk. Maar ik geef de voorkeur aan het wandelen in steden. Daar kom je interessante mensen tegen.”

„Over het algemeen is mijn leven goed. Soms wordt het overschaduwd door ziekte of overlijden van dierbaren. Maar ik ervaar het als een voorrecht dat ik veilig kan leven en een dak boven mijn hoofd heb. Dat is niet vanzelfsprekend als je naar de wereld om je heen kijkt.”