Landt die groei nog ’s in onze portemonnee?

De oproep van David Cameron was ongetwijfeld onderdeel van de Britse verkiezingscampagne en toch was hij opmerkelijk. De premier vroeg Britse bedrijven vorige week de lonen van hun werknemers te verhogen. Zijn linkse rivaal Ed Miliband voert al jaren campagne over „the cost of living crisis” waarin de Britten zich volgens hem bevinden. En inderdaad, het gemiddelde reële loon kwakkelt al zes jaar.

Wat Cameron volgens de Financial Times tegen Britse bedrijven zei was een reactie op de campagneretoriek van het linkse Labour: „Voor ons is het bedrijfsleven geen samenzwering van exploderende winsten, gedeprimeerde lonen, ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Het is de beste generator van groei, welvaart, werk en kansen. Er is geen betere manier dat te demonstreren dan door Britain een loonsverhoging te geven.”

Het klonk bijna wanhopig. ‘Kom op nou! Ik verdedig jullie maar werk wel een beetje mee graag.’ De winsten van bedrijven zijn hoog, de economie groeit, door de lage olieprijs zijn de kosten gedaald. Cameron zou graag zien dat dit economische feest ook zijn kiezers bereikt en blij maakt.

Cameron is niet de enige. Ook de Amerikaanse minister van Financiën Jack Lew mopperde onlangs over de lonen in de Verenigde Staten. „We hebben meer loongroei nodig die mensen echt kunnen voelen”, zei Lew. De Amerikaanse economie groeit steeds enthousiaster, net als de Britse, het bedrijfsleven boekt mooie winsten, maar de vruchten bereiken gewone mensen niet. Na jaren van jobless recovery (herstel zonder banen), groeit het aantal banen nu wel maar blijven de lonen achter. Wageless recovery (herstel zonder lonen).

Cameron en Lew worden nog een beetje gered door de lage inflatie. Omdat de lonen de laatste maanden een pietsie stijgen en de inflatie daalt, gaan werknemers er een tikje op vooruit in koopkracht. Maar van een feest in de portemonnee van gewone burgers is geen sprake. Tot begrijpelijke frustratie van politici.

Wat is hier aan de hand? Is dit een logisch gevolg van economieën die na een uitzonderlijk zware financiële crisis kampen met onderbezetting en een tekort aan vraag? Lonen dalen niet snel tijdens recessies: dat is nou eenmaal moeilijk voor elkaar te krijgen. Wellicht duurt het na deze zware economische terugval daarom lang voordat bedrijven de lonen weer laten stijgen. We zien, in die redenering, nu de effecten van een uitgestelde loondaling.

Maar is dat het hele verhaal? Hebben we hier misschien te maken met een structurele verandering in de beloning van werk? Bijvoorbeeld doordat het aantal freelancers en zelfstandigen groeit? Of door robotisering? Of door het krimpende midden van de arbeidsmarkt? (Het aantal banen waarvoor een mbo-opleiding wordt gevraagd neemt af in het Westen.) Het antwoord is er nog niet, maar als hier sprake is van een structurele verandering dan plaatst dat overheden voor een moeilijk oplosbaar probleem.

In Nederland is geen sprake van gedeprimeerde lonen volgens het Centraal Planbureau en De Nederlandsche Bank. De reële lonen gaan gelijk op met de (lage) groei van de arbeidsproductiviteit. Werknemers weten een even groot deel van het nationaal inkomen te verwerven.

Wel zou ook hier een koopkrachtimpuls de economie goed doen, volgens DNB. Maar door hogere collectieve lasten als de pensioenpremie en de zorgpremie groeit het besteedbaar inkomen al sinds de eeuwwisseling niet. Ter illustratie: de sociale lasten beslaan nu 23 procent van de loonsom tegen 14 procent in 1997. Meer dan in andere landen bepaalt de overheid via de zorgpremie een deel van onze consumptie. Daar kan een overheid, die koopkrachtgroei wil die mensen „echt voelen”, wel wat aan doen.