Kompas is volmaakt maar het leven is rommelig

Idealen zijn mooi, maar wie voortdurend hele hoge eisen aan zichzelf stelt, schiet ernstig tekort. En wordt een boze rechter die ook anderen de maat neemt, constateert Marjoleine de Vos.

foto thinkstock, bewerking roland blokhuizen

Op de ruit waar ik achter zit op de redactie van NRC Handelsblad, hing de dag na de aanslag in Parijs een postertje: ‘Je suis Charlie’. Het stond heel krijgshaftig en solidair enzo. Maar ik dacht almaar: Je suis Corinne Rey, de vrouw die de terroristen binnenliet op de redactie van Charlie Hebdo. Zwarte gemaskerde figuren, gewapend, bedreigden haar en ze toetste de code van de deur in. Ze hoorde ze schieten, waarschijnlijk op de receptionist. Ze heeft zich verstopt onder een bureau terwijl haar collega’s werden doodgeschoten.

Hoe moet die vrouw zich voelen?

Volgens sommige verslagen had ze haar dochtertje bij zich dat ze net van de crèche had gehaald, volgens andere ging ze haar dochter net halen. Ze was, allicht, doodsbang. Terecht, zoals we weten. Als ze haar dochter bij zich had, was ze ongetwijfeld nog banger.

Ze heeft de code ingetoetst.

Wat had ze dan moeten doen? Zich dood laten schieten om een heldin te zijn voor het nageslacht? Haar dochter dood laten schieten, eerst en dan vertwijfeld zelf gestorven zijn?

Die mannen waren toch wel binnen gedrongen.

Ze heeft de code ingetoetst.

Er valt haar uiteraard niets te verwijten, het zou volstrekt bespottelijk zijn om vanuit een Nederlandse huiskamer te gaan eisen dat zij zich had laten neerschieten liever dan enz. Iedereen zal tegen haar zeggen, en terecht: „Je kon niet anders, verwijt jezelf niets.” Maar hoe is het met verwijten. Ze komen toch wel. Degenen die het haar tóch verwijten, zullen steeds een snaar bij haar raken, omdat iets in haar, diep weggestoken, denkt: ik had dat nooit moeten doen. Omdat ze zichzelf is tegengevallen op een bepaalde manier, omdat ze zich onverschrokkener had gedacht of gehoopt.

Ik weet er natuurlijk niets van. Ik ben Corinne Rey niet en ook Charlie ben ik niet, goddank was ik ver weg, ergens waar niets gebeurde, waar het rustig was.

Demonstranten in Parijs liepen met spandoeken waarop stond dat ze ‘not afraid’ waren. Spandoeken bedoeld voor de wereld, want in het Engels. Zouden ze echt niet afraid zijn? Misschien op dat moment, vervuld van strijdlust voor hun idealen even niet. Maar op het moment dat je met je dochter aan de hand twee mannen met kalasjnikovs op je af ziet komen die dreigen jullie beiden neer te knallen ben je wel afraid. En niet zo’n beetje.

Wees volmaakt, zegt Jezus ergens in de bergrede. Ik schrik er elke keer weer van.

We zijn niet volmaakt. Verre van.

Heb uw vijanden lief, zegt hij. Is het niet nogal makkelijk om te houden van wie ook van jou houden? vraagt hij. Heb maar eens je vijanden lief.

Ik vind het vaak al moeilijk genoeg om te houden van wie ook van mij houden, en die hebben het op hun beurt ook niet steeds probleemloos eenvoudig met hun liefde voor mij. We kunnen allemaal pagina’s vullen met de complicaties die komen kijken bij het liefhebben van wie van jou houdt.

Evenzogoed kun je je vijanden meestal best vergeven, vaak stellen vijandschappen niet zo veel voor.

Maar die mannen in Parijs - ik geef toe dat ik over hen niets vergevingsgezinds dacht maar eerder gruwelijke straffen voor ze verzon. Ik vond zelfs stiekem, het is niet mooi maar ik beken het toch maar, dat ze er wel makkelijk vanaf kwamen, gewoon doorzeefd door politiekogels.

De rest van mijn gedachten toen, zal ik u besparen. Daar wordt niemand beter van.

Heb uw vijanden lief. Pfff. Dacht het niet.

Maar zodra je je afvraagt of je je eigen woeste gedachten tot regel zou willen verheffen, keer je je toch liever tot die veel te grote eisen die ons daar vanuit Matteüs tegemoet waaien.

Want ze zijn veel te groot. We zitten onszelf en elkaar er makkelijk mee op de kop.

Ik weet niet meer waar ik het las, het probleem van die twee mensen die door de woestijn trekken, en eentje heeft een fles water. Dat water is niet toereikend voor twee. Wat moet hij of zij doen? Het water toch delen met de ander zodat beiden sterven? Het water voor zichzelf houden en die ander laten verkommeren? Het water weggeven en zelf sterven?

Zo zit je even te denken, tot je beseft dat dit probleem, zo gesteld, pure theorie is, in meer dan één opzicht. In het echt zullen de meeste mensen hun water voor zichzelf houden. Behalve als die andere persoon niet zomaar iemand is, maar je kind. En wat als dat kind vier is en niet kan overleven in die woestijn? Dan lijkt delen in de hoop op een of ander wonder toch de enige optie. En wat als de andere persoon je geliefde is?

De woestijn staat hier natuurlijk voor elke moeilijke omstandigheid. En je ziet er meteen aan, als je even nadenkt, dat het leven in het echt veel rommeliger, veelkantiger en veelvormiger is dan je met enige leefregel kunt voorzien. Elk detail dat je aan de situatie toevoegt, maakt het antwoord ingewikkelder.

En dan spreek je nog niet eens van de ‘ik zou’-factor, de irrealis, ons onvermogen om ons werkelijk voor te stellen wat we doen als we in nood zijn, in paniek, in pijn. Als we Corinne Rey zijn, zeg maar.

Maar we zijn niet altijd in noodsituaties. Het leven stelt ons voor veel gewonere problemen. Zoals: het gaat niet goed meer met moeder, ze kan zichzelf niet redden, ze is veel alleen thuis. Gaan we een verpleeghuis voor haar zoeken – wetend dat ze dat verschrikkelijk vindt? Gaan we haar in huis nemen? Zij heeft toch ook jarenlang voor mij gezorgd. Jawel, maar niet voor je partner. Moeder zelf zit er ook niet heel erg op te wachten om door haar kinderen betutteld te worden.

In het eigen leven doemen vaak kwesties op waar goed en niet-goed helemaal niet zo duidelijk te onderscheiden zijn.

Je zou wel graag iemand willen zijn die goed voor zijn of haar ouders zorgt.

Maar wat is goed voor je ouders zorgen?

Een verpleeghuis zoeken en daar je moeder heen brengen die, zoals ik laatst las in het verslag van iemand die dat gedaan had, ontdaan vraagt als je weggaat: „Jullie laten me toch niet hier achter?” Een vraag die het kind in kwestie, om zich heen kijkend, liever niet met ‘ja’ had willen beantwoorden, want de geur, het interieur, de verdwaasde of juist kakelende medebejaarden zeiden allemaal heel duidelijk: nee, in deze omgeving laten wij liefhebbende kinderen onze moeder niet achter. Maar je wendt je snel af en holt huilend de deur uit, want het is nu eenmaal zo.

Wees volmaakt. Een fijne opdracht.

Ida Gerhardt schreef het gedicht De reiskameraad over hoe ze in haar jaszak ‘feestelijk’ een kompas heeft:

Waaraan nooit iets gemankeerd heeft.

Of ik zuidwaarts ga of zigzag,

onomkoopbaar, onverbiddelijk

richt zich de magneetnaald noordwaarts.

Ongetwijfeld heeft dat kompas iets te maken met Ida Gerhardts gevoel voor poëzie. Een andere betekenis die mee klinkt is natuurlijk zoiets als een moreel besef of misschien wel een godsgeloof of een waarheidsidee. Daarheen moet het, zegt dat. Daar is de waarheid. Daar is het juiste en het goede.

Zo’n kompas, daar hebben we allemaal wel eens behoefte aan. Maar zoals gezegd, het leven wil nog wel eens voor rommelige, onoverzichtelijke, langdurige problemen zorgen. En wij zelf hebben ook nogal veel overwegingen en die gaan echt niet alleen maar over goed en niet-goed, maar ook over praktisch, over gezellig, over geld en tijd, over humeur en ergernis en tolerantie en strijkgoed, over iemand die niets lust, of klaagt, of zeurt, of stinkt.

Ik noem maar een paar dingetjes die je heel gauw doen zigzaggen, ook als je je hebt voorgenomen om onverbiddelijk die weg noordwaarts te nemen.

Die hele bergrede met zijn hooggestemde idealen en zijn ferme uitspraken kan je geweldig bedrukken. Want er zijn maar weinig punten waaraan je voldoet. En mensen die je met zulke teksten om de oren slaan – dat het toch wel erg makkelijk is om alleen van je naasten te houden, dat je eens wat verder moet kijken dan pal voor je voet – die ergeren je eerder dan dat ze je opkrikken.

Ik schrijf ‘je’ alsof dat voor iedereen geldt. Dat zal wel een manier zijn om mezelf te verontschuldigen. Want ik voel me enorm onbehaaglijk als iemand me verwijt dat ik niet genoeg doe voor de wereld. Omdat ik dan altijd denk: hij of zij heeft gelijk. Je doet namelijk nooit genoeg voor de wereld. En wie mij toeroept dat ik teveel aandacht besteed aan eten of kleren, die raakt ook al gauw een gevoelige plek, want hoeveel plezier schep ik daar niet in. Maar natuurlijk gaat het niet om eten of kleren. Het. Alsof er ergens een waarheid verstopt zit die precies zegt waar ‘het’ dan wel om gaat in het leven.

Waarom zijn we zo gevoelig voor die aanspraak? De dichter M. Nijhoff laat in zijn lange gedicht Awater een heilssoldate zeggen: „Wij leven heel ons leven fout.” Het is een regel die enorm doel treft. Ja, zo is het.

Maar waarom zou het eigenlijk zo zijn?

Er zijn situaties genoeg waar je weinig aan kunt doen en waarin je het niet goed kunt doen. De situatie waarin een kind onverwacht vervaarlijk wiebelend op een fietsje de hoek omkomt en jij zit in je auto en misschien lette je wel even niet helemaal goed op of reed je inderdaad ietsje harder dan strikt wenselijk. Je deed niets fout, of toch? Het was jouw auto, met jou achter het stuur.

‘Modder maar gewoon door’ is niet het soort leefregel dat je graag in kruissteekjes geborduurd aan de wand hangt, ook niet op je eigen innerlijk behang. Daar zie je liever wat hoogstaander spreuken. Maar misschien is dat verlangen om jezelf geestelijk op te zadelen met Heel Hoge Eisen ook niet zo’n geweldig idee. Wie idealen ziet als iets waaraan hij of zij voortdurend moet voldoen omdat er anders van ernstig tekortschieten sprake is, installeert een boze rechter in zichzelf die hem - en als de oordelaar een beetje op dreef is ook alle anderen in en buiten de eigen omgeving - de ganse tijd de maat neemt. Dan schiet een mens al snel tekort.

Beter is wellicht de goddelijke maat te laten waar hij hoort, en niet te benauwd te zijn voor de menselijke maat.

We identificeren ons graag met ‘onschuldige’ slachtoffers – hoe afschuwelijk en beschadigend het ook is om slachtoffer te zijn van wreedheden. Blijkbaar verlangen we enorm naar schuldeloosheid. Dat we ook wel eens, niet altijd in hoge en verschrikkelijke mate maar toch, dader zijn en dat we daar ook mee zullen moeten leven is een minder aantrekkelijke gedachte. Getuigenissen van slachtoffers die zich in ellendige omstandigheden heel goed hebben gehouden, die moreel hoog zijn gebleven, die vergeving hebben weten te vinden voor de daders, horen we graag. Maar daders die vergeving hebben weten te vinden voor zichzelf?

We willen niet leren van daders.

De Poolse Nobelprijswinnaaar Czeslav Milosz schreef ooit een gedicht over engelen, waarin hij beweert dat niemand meer in ze gelooft, maar hij nog wel. Hij heeft hun stemmen namelijk wel eens gehoord en meende dan „een opdracht of een oproep in een buitenaardse taal” te verstaan:

„de dag breekt aan

weer een

doe wat je kunt.”

Lang heb ik dat gedicht gelezen als weer eens een aansporing om meer te doen, beter te zijn. Volmaakt te zijn. Maar op een gegeven moment drong tot me door dat er helemaal niet stond: wees volmaakt. Er staat ‘doe wat je kunt’. Er staat dus ook niet: doe veel meer dan je kunt.

Het kompas wijst naar het noorden. In het noorden staat de bergrede. Streng, hoog oprijzend en onbereikbaar. Dat hooggebergte is niet bedoeld om in aan te komen. Het is bedoeld om je op te richten. Wie wandelt, heeft niet het voornemen om uiteindelijk in het noorden te arriveren, die is misschien helemaal niet van plan die kant op te gaan – westwaarts kan ook mooi zijn.

De kompasnaald wijst naar het noorden, opdat wij weten waar we zijn, opdat we houvast hebben.

Elk ideaal moet water bij de wijn doen, anders verandert zo’n ideaal altijd in tirannie, wreedheid en verschrikking. We vormen ons naar het volmaakte, maar we wórden natuurlijk niet volmaakt.

We leven. En we doen wat we kunnen.