Je postcodegebied, je leven

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit de nieuwe roman Montaigne, een indiaan en de neus van Max Kader van Abdelkader Benali. Het vertelt het verhaal van schrijver Max Kader die tijdens een verblijf als gastschrijver in Canada in de ban raakt van een mysterieuze indiaan.

Max Kader was niet eerder met een vrouw zo ver van huis geweest. Wat reizen betreft was hij door Claudia ontmaagd. Ze gaf hem een gevoel van veiligheid. In ruil gaf hij haar de beste zinnen uit De essays van Michel de Montaigne, het allereerste werk-aan-jezelfhandboek.

Met zijn moeder deed Max Kader (24) vaak boodschappen bij een prijspakker, maar die reis telde niet want de supermarkt was in de buurt. En alles wat in de buurt was, was vertrouwd. Op comfortabele loopafstand. Je kon de aanbiedingen ruiken. Wanneer vlak na de Kerst de kerststollen in de uitverkoop gingen sloegen ze die voor een heel jaar in. Van roomboter hadden ze ook altijd te veel in huis. Hun leven draaide om roomboter, kerststollen en alles waar een zweem van aanbieding omheen hing.

Met vier volgepropte boodschappentassen, twee aan elke hand, waggelden ze naar huis. Max Kader keek uit naar februari, als de volgende uitverkoopronde zich aandiende.

‘Waarom gaan we niet naar andere supermarkten?’

‘Zo zit onze familie niet in elkaar. Onze postcode is onze identiteit,’ doceerde zijn moeder onder het lopen. ‘Verlaat je je postcode dan verlaat je je identiteit,’ voegde ze eraan toe.

‘Is dat erg?’ vroeg Max Kader. Hij was nog jong, hij zat vol vragen.

‘Het is niet erg,’ zei zijn moeder en ze liet een stilte vallen, ‘het is verschrikkelijk.’ Max Kader begreep dat die stilte was ingezet om een dramatisch effect te creëren. Met de stilte opende zich de hel. Jaren later zou er nog steeds een rilling over zijn rug gaan als hij aan dat moment terugdacht.

‘Wat gebeurt er als ik op een dag mijn postcode verlaat?’ wilde Max Kader weten, zich niet bewust van de gevoeligheid van zijn vraag.

Zijn moeder stond stokstijf stil midden op straat; de tassen bungelden als loodzware gewichten aan haar handen.

‘Dan zal ik wenen tot ik twintig kilo weeg.’

Dat was geen prettig vooruitzicht want zijn moeder woog rond de honderd kilo. Elke week ging ze op de weegschaal staan om er zeker van te zijn dat ze op gewicht bleef.

‘Ik kan geen kilo missen. En je vader ook niet. Hij is dol op mijn kilo’s. Ik ben een kiloknaller. Je wilt toch niet dat ik door jouw onbezonnen gedrag mijn kilo’s kwijtraak?’

‘We zijn allemaal dol op je kilo’s, mama. Ik zal het postcodegebied nooit verlaten.’

‘Nu hou ik weer van je,’ zei zijn moeder en ze hervatten hun wandeling naar huis.

Zijn moeder had niet gehuild toen hij het postcodegebied verliet, maar desondanks voelde Max zich verweesd. Reizen was de ultieme vorm van vrijheid stond er in de Lonely Planet, editie Canada. Maar vrijheid en ongemak trokken zij aan zij met elkaar op; net als je dacht dat je geluk oneindig was, kon het vreselijk misgaan. Vertraging, slecht voedsel, diarree, ziekte, muggen. Alles kon roet in het eten gooien. Je moest wel een beetje masochistisch zijn om op reis te gaan. Reizen was laveren tussen puur geluk en dikke pech.

Max Kader besloot de kunst van het reizen van Claudia af te kijken. Zij zou hem de weg wijzen. Hij zou van haar leren. Zonder een vrouw aan zijn zijde bleef de wereld plat, concludeerde hij terwijl ze aan de gate op hun vlucht zaten te wachten. Dankzij Claudia had hij vijf extra tijdzones gekregen. De wereld werd rond en ronder en ronder. De wereld werd om door een ringetje te halen.

‘Ben je me weer aan het idealiseren?’ zei Claudia tegen hem. Ze zag dat Max aan het wegdromen was. Natuurlijk dacht hij aan haar. Ze mocht het idealiseren noemen. Claudia was goed in sommeren, in observeren, in interpreteren, in woorden verteren, in traineren. Waar was Claudia niet goed in? Ze sprak haar talen. Ze had mensenkennis. Het was een topwijf. Soms had ze krullen, soms steil haar. En altijd een opgewekt humeur. Hij had het echt getroffen met haar. Wanneer er een knoopje aan zijn overhemd los zat, bond ze het snel en vaardig met haar mininaaisetje vast, onderwijl rustig verder pratend over het rhizoom bij Deleuze. Van Deleuze, een stomme, suffe, grijze Franse filosoof, wist hij niks, van rhizomen nog minder. Bij filosofie dacht hij aan mannen met snorren. Waarom wist hij niet.

Claudia was elegant. Ze droeg spannende hoge hakken die haar een erotische uitstraling gaven. Je mag naar me kijken, zo leken haar kuiten te zeggen, maar ik loop wel verder als je het niet erg vindt.

Humor is alles in de liefde. Timing ook.

Soms kneep hij in haar zij omdat hij niet kon geloven dat ze echt was. ‘Au,’ schreeuwde ze uit, ‘wat ben je toch een barbaar!’ Ze gaf hem een klap als antwoord op zijn geknijp en Max was weer gerustgesteld. Claudia was helemaal echt in een wereld vol nep.

‘Hoe weet je dat eigenlijk?’ vroeg hij haar. ‘Voor hetzelfde geld was ik de clou voor een kort verhaal aan het bedenken.’

Max Kader was schrijver. Hij was een schrijver zonder subsidie die één op één liep. Elke dag een pagina, vierhonderd woorden schoon aan de haak. Totale kostenplaatje: vier kopjes koffie en acht boterhammen met hagelslag en pindakaas. Voor hem geen drank, geen restaurants, geen hoeren. Max Kader was de Opel onder de schrijvers.

Claudia keek hem met een spottend glimlachje aan. ‘Ik zie het toch aan je ogen. Die ogen van jou geven alles prijs.’

‘Dan idealiseer ik je met mijn ogen dicht.’

‘Dat deed je net de hele tijd, maar je had het niet door. Je bent een groentje. Ik ga koffie halen.’

Ik kan nog steeds niet geloven dat ik met deze vrouw op reis ben, dacht Max Kader. Zijn ogen werden vochtig. Een paar weken geleden had ik niet eens kunnen denken dat ik mijn eigen stad zou verlaten. Nu ben ik op weg naar het buitenland. Maar wat stelt het postcodegebied ook voor als je met een vrouw als Claudia op pad mag gaan. Fuck het postcodegebied!