In één keer 1.000 nieuwe buren

Syrische vluchteling bij zijn woning in een buitenwijk van Almere, onder beheer van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Foto David van Dam

In de weilanden bij Almere, voorbij de buitenwijken, ligt nog één wijk. Er staan rijen prefab houten huizen. Op de binnenplaats fietsen en spelen kinderen. Het buurtje is het voorlopige thuis van achthonderd asielzoekers.

Almere is „een prachtvoorbeeld” van hoe samenwerking met een gemeente hoort te lopen, vinden voorzitter Gerard Bakker en bestuurslid Janet Helder van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Het asielzoekerscentrum ging open in 2000. Maar van 2006 tot 2010 huurden Almeerders de gebouwen, omdat er weinig asielzoekers kwamen en de opvangorganisatie de huizen niet nodig had. Sinds 2010 wonen er weer vluchtelingen en heeft het COA de gebouwen weer in beheer.

Binnenkort komt er extra capaciteit bij voor nog eens zeshonderd asielzoekers. De wethouder wilde de mening peilen van de omwonenden vóór het besluit genomen werd, vertelt Janet Helder: „Hartstikke goed. Op die informatieavond worden wij ingevlogen en houden we ons verhaal. Er was een handjevol mensen, ze vonden het prima. Heel verstandig van die wethouder het zo aan te pakken.” In de gemeenteraad stemde alleen de PVV tegen.

Zo soepel gaat het lang niet overal. Het COA heeft een nogal hysterisch jaar achter de rug. In 2014 kwamen ruim 30.000 asielzoekers naar Nederland, 75 procent meer dan in 2013. Overwegend mensen uit Syrië. De opvangorganisatie moest halsoverkop onderdak bieden aan duizenden vluchtelingen – terwijl dezelfde club in voorgaande jaren juist bezig was opvanglocaties te sluiten.

In de IJsselhallen in Zwolle werden vorig jaar mensen ondergebracht in grote zalen vol stapelbedden. Dat liet zien dat het COA de hoeveelheid asielzoekers amper aan kon. Gevangenissen en bejaardenhuizen werden verbouwd zodat er vluchtelingen konden wonen.

Verwacht u dat het aantal vluchtelingen dat naar Nederland komt dit voorjaar weer stijgt?

Gerard Bakker: „Ja, als de Middellandse Zee straks rustiger wordt verwachten we weer grotere stromen hier naartoe. We bereiden ons daar nu op voor, we zijn volop met gemeenten in gesprek. Vorig jaar hebben we twintig nieuwe locaties geopend. Waar daar in andere jaren maanden voor stond, moest dat ineens in wéken. We zijn nu hard bezig ervoor te zorgen dat ons zoiets niet nog eens overkomt.”

Gerard Bakker zag vorig jaar alles van een afstandje gebeuren. Hij volgde in december Jan-Kees Goet op, die directeur-generaal Vreemdelingenzaken werd op het ministerie van Veiligheid en Justitie. Bakker kwam van de Autoriteit Consument & Markt, waar hij als directeur Mededinging werkte. Heel wat anders. Zijn baan van nu noemt hij „van ontzettend mooie maatschappelijke betekenis”.

Bakker heeft een duidelijk afgebakende taakopvatting: het COA vangt asielzoekers op en begeleidt hen tijdens de procedure. Niet meer, niet minder. „Wij zijn een uitvoeringsorganisatie. We voeren keuzes uit die de politiek maakt.” Frustraties over burgercomités – een landelijk platform Azc-Alert mobiliseert tegenstand – of gedoe met gemeenten, die heeft hij niet. Hij laat ze niet zien tenminste. „Wij doen ons werk in de werkelijkheid. Ik constateer dat veel gemeenten met ons willen samenwerken. Dát is de werkelijkheid.”

Staatssecretaris Fred Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) is verantwoordelijk voor asiel en hoewel het COA een zelfstandig bestuursorgaan is, belde Teeven vorig jaar wel eens met lokale bestuurders. Om ze aan te sporen opvang te regelen. Dat vindt Bakker prima. „Deze staatssecretaris is zeer betrokken en begaan. Maar nee, het is nog niet voorgekomen dat ik hem zelf zoiets heb gevraagd.”

Met hoeveel gemeenten onderhandelt u over de komst van een azc?

Bakker: „Rond de 140. We moeten er dit jaar minimaal 10.000 plekken bij hebben.”

Janet Helder: „We spreken natuurlijk met zoveel mogelijk gemeenten, maar het gesprek verschilt enorm. Bij sommige is het na een week bekeken en zeggen we: even goeie vrienden, maar dit wordt ’m niet. Bij anderen gaan we een langer traject in.”

Hoeveel gemeenten zijn er definitief afgehaakt?

Helder: „Ik wil niet uit de school klappen. Dat is niet handig. Maar het komt voor, af en toe. Het kan mislopen om allerlei praktische redenen. Dat we samen concluderen dat het bestemmingplan te veel moet worden gewijzigd, een investering te groot is of de procedure te lang gaat duren.”

Geeft de politieke kleur van een gemeente vaak de doorslag?

Helder: „Dat vind ik moeilijk te zeggen. We zijn vooral afhankelijk van personen. Er zitten burgemeesters bij van partijen waar je het niet van verwacht, die meteen zeggen: dít gaan we regelen. Stap twee is voor ons de omgeving. We krijgen wel eens applaus op avonden voor omwonenden. Sporadisch, maar het komt voor. Maar er zijn ook gemeenten waar inwoners je in groten getale komen vertellen dat ze niet blij zijn. Dan druk ik me voorzichtig uit.”

Hoe reageert u dan?

Helder: „Omwonenden hebben altijd dezelfde vragen. We benoemen de heikele kwesties. Ik geef zelf vaak het voorbeeld van een meneer die me vroeg of zijn blonde dochters nog wel veilig over straat kunnen. De vraag die eronder ligt: er komen zoveel mensen in onze wijk wonen die wij niet kennen, hoe moet dat? Laatst had ik iemand die zei: mevrouw, ik ben gewoon bang. Dat vond ik zo mooi, dat iemand dat hardop zei in een volle zaal. Ik heb gezegd dat ik haar angst niet kon wegnemen, maar dat we er alles aan doen om de zaken zo goed mogelijk te laten verlopen. Dat we beveiliging regelen en omwonendenoverleg. Maar dan nog: mensen moeten aan den lijve ondervinden hoe het is.”

Dat zegt u die mensen dan ook?

Helder: „Precies. En af en toe doen we gekke dingen. In Heerhugowaard waren een paar mensen zó vreselijk anti en boos, dat we hebben afgesproken dat we samen gaan kijken, zodra het asielzoekerscentrum open is. Eens zien of onze asielzoekers het inderdaad veel beter hebben dan oma in het bejaardenhuis. Ik weet al dat het niet zo is.”

Afgelopen najaar, in de „piekmaanden”, haalde het COA meermalen het nieuws. Dorpsbewoners van het Drentse Oranje verzetten zich tegen vluchtelingenopvang in een vakantiepark aan hun kanaal. Binnen drie dagen lag er een deal tussen eigenaar, gemeentebestuur en COA, maar dat was buiten de 140 dorpelingen om. Die ontploften. Hoezo kregen ze er ineens 1.400 buren bij?

Hetzelfde dreigde in het Friese Rijs, een dorp van 160 inwoners die leven van toerisme. Maar daar bliezen COA en gemeente de opvang te elfder ure af. De gemeente zoekt nu een andere locatie. En met de ondernemer hebben gemeente en COA „prettige afspraken” kunnen maken, vertelt Janet Helder, „over genoegdoening, zodat hij verder kan daar”.

Waarom bezweken jullie in Rijs wel voor de protesten?

Helder: „Draagvlak is heel belangrijk en het lokale bestuur heeft daarin het voortouw. We kloppen aan bij de burgemeester en verantwoordelijk wethouder. Die richten het vervolg in, wij adviseren. Dan ontdek je dat elke gemeente het anders aanpakt. En soms lekt het plan uit. Dat hebben we bij vliegveld Enschede meegemaakt. We waren aan het schouwen, en de antikraakmensen kregen een brief: het COA komt kijken. Prompt stond er pers op de stoep. Dat verstoort het proces.”

In Rijs en Oranje onderhandelde voormalig PvdA-gedeputeerde Anneke Haarsma voor jullie. Ze wordt ‘de tank van het COA’ genoemd. Ging ze te snel?

Helder: „Die tijd van Oranje en Rijs was geen prettige periode. Voor het lokaal bestuur niet en voor ons niet. Zo doen we het niet meer.”

Welke lessen hebben jullie getrokken?

Helder: „ Allereerst de snelheid. We zullen er alles aan doen om trajecten in nette proporties van tijd te doen. Om aan draagvlak te werken en om gezondheidszorg en onderwijs te regelen. Maar tegelijkertijd weten we ook dat als er weer een hausse komt, we weer snel aan de bak moeten.”

Bakker: „Je leert van de dingen die nog beter kunnen. We moeten prepared zijn. De organisatie moet acteren.”

Helder: „Verder hebben we een netwerkje opgezet van twaalf burgemeesters en wethouders met een azc. Zij zijn bereid hun vakgenoten te vertellen hoe het er bij hen aan toe gaat. Dus als we nieuwe gemeenten benaderen en die hebben vragen die wij niet kunnen beantwoorden, verwijzen we naar dit clubje.”

Mensen die bij u onderdak krijgen, hebben vaak veel meegemaakt. Hoe gaat u daarmee om?

Helder: „Die vraag krijgen we ook vaak van omwonenden. Wat mij opvalt: mensen die bij ons wonen zijn over het algemeen zeer veerkrachtig. Je moet wel wat in je mars hebben om vanuit Syrië of Eritrea helemaal hierheen te komen.”

Bakker: „Het zijn vaak hoog opgeleide mensen op zoek naar een veilige omgeving. Dat kun je je ook voorstellen als je de beelden uit hun thuisland ziet.”

Toch zíjn er soms spanningen in uw opvangcentra. Hoe uiten die zich?

Helder: „Ik kan niet zeggen dat wij spanningen hebben die zich uiten in incidenten. Wij hebben incidénten. Er gebeurt bij ons van alles wat zich in een gewone wijk ook voordoet. Burenruzies vanwege de herrie van de kinderen of te luide muziek. En heel af en toe gebeurt het dat grotere groepen mensen met elkaar vechten. Maar dat komt bijna nooit voor.”

Zijn er nou veel of weinig incidenten, in vergelijking met ‘normale’ wijken? Dat weten Bakker en Helder niet. Medewerkers van het COA registeren alle incidenten. Van porren tot schreeuwen, van onderling geweld tot zelfmoordpogingen. Maar die registratie verloopt rommelig, bleek uit een interne evaluatie. Categorieën waren onduidelijk, nut en belang ervan eigenlijk ook. „We zijn nu bezig met een plan om die registratie eenvoudiger te maken”, zegt Bakker. Het Centraal Bureau voor de Statistiek is gevraagd om een vergelijkend onderzoek naar het aantal incidenten.

Hoe zit het met religieuze spanningen tussen vluchtelingen?

Helder: „Ik heb daar nog nooit van gehoord.”

Dat meent u? Het beeld is toch anders.

„Maar dat klopt niet. Ja, bij ons zitten mensen op elkaars lip, het zijn kleine gemeenschappen. Het enige wat ik hoorde, speelde laatst in Vries, Drenthe. Daar wilden de christelijke Eritrese meisjes bidden tijdens de les. Daar gaan we niet aan beginnen, hebben onze medewerkers toen gezegd.”