Het draaimolenpaard

Joyce Roodnat

Over de vliegende start. Rembrandt. Godard. Wim T. Schippers. Katie Mitchell.

Het is druk op de Rembrandt-tentoonstelling in het Rijksmuseum. Gelukkig wel. Wie niet gaat, bijvoorbeeld uit ergernis over al die voorgekookte publiciteit (is waar), of over de dwangmatige superlatieven (klopt) of over de drang die ook ik nu weer uitoefen (check), doet zichzelf tekort. Stap er maar overheen. Ja, directeur Wim Pijbes staat overal vooraan. Brrr. Maar ik zag hem ook in het Jeugdjournaal met een stel kinderen naar Rembrandt kijken. Wie zo vanzelfsprekend de aandacht van het grut weet te vangen voor schilderkunst (saai), een museum (saai!) en een vrouw in haar hemd van drie en een halve eeuw geleden (sa-haai!) is een zegen. Dat populaire gedoe, ik vergeef het hem.

Trouwens, wat valt er te vergeven? Dankzij Wim Pijbes loop ik hier rond op De Late Rembrandt, een tentoonstelling die zich beperkt tot de laatste achttien jaar van de schilder. Hier blijft De Nachtwacht, geschilderd toen hij net dertig was, buiten beschouwing (je moet maar durven, als je die Nachtwacht voor het grijpen hebt). Hier kijken we naar Rembrandt toen hij ouder was. Wijzer. Sadder. Wild. Want hij had niks te verliezen. Zijn geliefden waren dood, zijn geld was op, zijn aanzien was sleets.

In de eerste zaal hangen, in schemerlicht, alleen drie zelfportretten. Van drie kanten boort zijn blik. Melancholiek? Triest? Dat wordt gezegd. Maar ik zie iets veel bijzonderders, ik zie de ogen van een schilder aan het werk. Met hemzelf als model legde Rembrandt vast hoe hij naar zijn onderwerp keek. Speurend, hondsnieuwsgierig. Niet droef maar diep. Op jacht naar het beste schilderij.

Met deze zaal maakt De Late Rembrandt een vliegende start voor een tentoonstelling waar we Rembrandt toeren zien uithalen en experimenteren. Waar hij het liefst is (zie de ets met in een hoekje het kindje dat op zijn buik ligt te spelen, met zijn kont naar Christus), en het hardvochtigst (De anatomische les).

Het gekste doek is het Ruiterportret van Frederik Rihel (1663). Laten we er niet omheen draaien, dat steigerende paard is een vreemd paard. Een draaimolenpaard. Rembrandt bond het de ruiter onder zoals hij de moeder in het Familieportret een exotische japon aantrok. Het paard is de eerste klap die dit schilderij uitdeelt. Het daagt de kijker uit en die blíjft kijken.

Direct raak schiet ook Jean-Luc Godard. 84, bijgezet als hoofdstuk in de filmgeschiedenis en tóch heeft hij weer een nieuwe: Adieu au langage. In 3D. Wat heet, in excessief 3D sleurt hij ons binnen voor zijn „revolutie van het denken”. Voor zijn geweld, sentiment, filosofie. Voor zijn mannen en vrouwen die elkaar kwellen en beminnen. Niet te volgen. Hoeft ook niet. We bewegen met hem mee.

In het Stedelijk Museum slaat Wim T. Schippers toe met een performance. Hij dirigeert een „auditief kunstwerk” uit de kelen van zijn publiek waarvoor hij ons een ademteug lang laat hummen. Met dit „heel gecompliceerde akkoord” attaqueert Schippers de akoestiek van het Stedelijk. Ik hum mee, probeer dat het langst van iedereen vol te houden en herinner me intussen hoe Sjef van Oekel hier, op deze witte trap, in 1978 de expositie Van Hoepla tot Waldolala opende: „Circa 40 uur verdomd interessante televisieprogramma’s”. Dankzij zijn ontsporende speech wilde ik ál die tv-shows metéén bekijken.

We hummen uit, en zijn klaar voor de nieuwe eigen Stedelijk-Museumzaal van Wim T. Schippers, gedrenkt in zijn superieure hysterie.

Ook de Britse theatermaker Katie Mitchell, dit voorjaar te gast in de Amsterdamse schouwburg, maakt in haar stuk The Forbidden Zone een vliegende start. Het decor is immens en ingenieus. Met een treinwagon. Een laboratorium. Een vijver. Kamers. En alles beweegt. Indrukwekkend, ik zie uit naar dit theaterstuk en de instant verfilming daarvan, geprojecteerd op het enorme filmdoek erboven.

Het stuk begint. En zakt in.

Ik besef hoe knap de timing is, hoe uitgewogen de decorstukken in en uit elkaar schuiven, hoe gewiekst de acteurs zijn. Maar ik kijk naar een film waarvoor ik nooit naar de bioscoop zou gaan. Naar een toneelstuk dat ik niet goed zie, want de spelers zitten óf in het decor verstopt óf ze worden afgedekt door camera’s.

Ik ben getuige van een illusie. Van de maakster. De mijne wordt zij niet. Ik kijk maar eens even op mijn telefoon. ‘Harold Pinter Quotes’ twittert: „A play is not an essay”. Een stuk is geen beschouwing. Goed punt. Ik verlang naar een stuk van Pinter.