Haat zaaien is terecht strafbaar, maar pas als de haat is gezaaid

Dat het kabinet imams uit het buitenland van bijeenkomsten in Nederland weert omdat van hen wordt vermoed dat ze haat zaaiende woorden komen verspreiden, zal menigeen met instemming begroeten. Het is een uitvloeisel van officieel beleid. Onder meer in het Actieprogramma Integrale aanpak Jihadisme, vorig jaar gepresenteerd, kondigden de ministers Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) en Asscher (Integratie, PvdA) aan dat predikers die oproepen tot haat en geweld, een visum wordt geweigerd.

Dat is wat minister Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) deze week heeft gedaan. Drie imams, van wie hij de namen niet bekendmaakte, mogen het land niet in en konden dus niet aanwezig zijn op een bijeenkomst die de Stichting Rohamaa 8 maart in Rijswijk zou houden. De stichting heeft vrijdag in alle commotie die erover is ontstaan aanleiding gezien om dit „benefietgala” af te gelasten.

Het visumbesluit van Koenders is ook de uitvoering van een SGP-motie die de Tweede Kamer al in 2006 aannam. Daarin werd opgeroepen personen die een gevaar vormen voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid de toegang tot Nederland te ontzeggen. Dat Koenders de imams eerder wél een visum toezegde en daarop om door hem niet opgehelderde redenen terugkwam, leidde tot schriftelijke vragen in de Tweede Kamer van diverse partijen.

Op zijn minst zou de minister duidelijk moeten maken waarom hij tot die koerswijziging heeft besloten en om welke imams het gaat. Visumweigering is een zwaar middel; een besluit daartoe hoort zorgvuldig en publiekelijk te worden gemotiveerd.

Of het ook een effectief middel is, is nog maar de vraag. Ook imams weten hun weg naar internet of satellietschotels te vinden om hun al dan niet kwaadaardige boodschap te verspreiden. Bovendien kan wettelijk de deur alleen gesloten blijven voor predikers uit visumplichtige landen. De in België woonachtige imam Tarik Chadlioui (Tarik ibn Ali) kon vorig jaar wel naar een bijeenkomst in Gouda komen, ondanks de kritiek daarop van Tweede Kamerleden van CDA en ChristenUnie, die hem een „haat zaaiende imam” noemden. Opstelten en Asscher lieten toen weten dat er strafrechtelijk tegen hem zou worden opgetreden als hij zich aan haat zaaien of oproepen tot geweld schuldig zou maken.

Principieel is dat in alle gevallen de correcte weg. Hoezeer het kabinet ook tegemoet wenst te komen aan de in de samenleving levende, begrijpelijke angst voor moslimterreur en hoezeer het zich ook moet inspannen om aanslagen te voorkomen. Iemand op voorhand de toegang te ontzeggen alleen uit vrees of om een vermoeden dat hij taal gaat bezigen die niet bevalt, is niets anders dan door de staat opgelegde censuur. Dat is niet de macht die een overheid gegund moet worden. Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. En inderdaad: die vrijheid is niet absoluut. De Grondwet zegt: „Voor het openbaren van gedachten of gevoelens [..] heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”

Dus er is een beperking: oproepen tot geweld, discriminatie, belediging, laster en smaad zijn in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld. Ze kunnen met detentie of boetes worden bestraft. Maar vanzelf spreekt dat deze misdrijven dan wel eerst moeten worden begaan. Predikers op voorhand het recht op het woord ontzeggen door ze eenvoudigweg niet binnen te laten, is een aantasting van de vrijheid van meningsuiting, een van de klassieke grondrechten in Nederland, zoals de vrijheid van godsdienst dat ook is.