Dertien doden uit één dorp

Een groot deel van de groep christelijke gastarbeiders die in Libië werden onthoofd, kwam uit het Egyptische dorp El Our.

Het Egyptische dorp El Our rouwt om de dorpsgenoten die vorige week in Libië door IS werden onthoofd. Maandag bombardeerde Egypte als vergelding doelen van IS in Libië. Foto Reuters/ Asmaa Waguih

Bashir Astafanus ( 32) heeft niet één maar twee broers verloren aan de terreurbeweging Islamitische Staat (IS). Bishoy (25) was een jaar geleden naar Libië vertrokken op zoek naar werk. Zijn jongere broer Samuel (22) was hem tien maanden geleden achterna gereisd. „In Libië kan je in de bouw driemaal zoveel verdienen als hier, als je hier al een baan vindt”, zegt Astafanus in de kerk van de heilige maagd in dit arme, stoffige dorpje in de provincie Minya in Opper-Egypte.

Van de twintig Egyptische kopten die vorige week in de Libische havenstad Sirte zijn onthoofd door IS, hoorden er veertien bij deze kerk. Dertien kwamen uit El Our zelf. Alle twintig kwamen ze uit deze streek. (Het 21ste slachtoffer werd geïdentificeerd als Matthew Ayariga uit Ghana.) „Toen het nieuws zondag bekend werd hoorde je geschreeuw uit alle huizen”, zegt Abouna (priester) Makar Issa (40).

De rouw duurt normaal drie dagen, maar omdat zoveel mensen hun medeleven willen tonen is de kerk op donderdag opnieuw opengesteld. „Christenen en moslims van ver buiten Minya zijn hierheen gekomen. Ik heb zelfs salafisten gezien”, zegt Bashir Astafanus onder het grote spandoek met foto’s van de slachtoffers dat op het binnenplein is opgehangen.

Martelaars

In de provincie Minya komen veel spanningen voor tussen christenen en moslims. Na de coup die president Morsi van de Moslimbroederschap in 2013 van de macht beroofde, werden tal van kerken in brand gestoken. Maar als IS met de onthoofdingen verdeeldheid wilde zaaien tussen christenen en moslims, dan is dat mislukt, zegt priester Issa. „Het heeft ons juist nader tot elkaar gebracht.”

De christenen van Minya beschouwen de 21 doden als martelaars voor hun geloof. Een week geleden gaf de Libische afdeling van IS een video vrij van de executie op een strand aan de Middellandse Zee. Iedereen in El Our heeft de video gezien. „Dat was heel belangrijk voor ons”, zegt Roumani Fayez (28), wiens 23-jarige broer Mina is gedood. „Daardoor weten we dat zij hun geloof niet verloochend hebben. Ze zijn christenen gebleven tot het laatste moment.”

Fayez had zijn broer verzocht niet naar Libië te gaan, hij vond het te gevaarlijk. „Maar hij had net zijn militaire dienst erop zitten en wilde geld verdienen om een gezin te stichten. Dat kon hier niet.” Van de zesduizend inwoners van El Our zijn er zo’n vijfhonderd naar Libië vertrokken.

Ontsnapt

Ishaq Makram (24) behoort tot een bijzondere groep in El Our: zij die ontsnapt zijn aan Islamitische Staat. Ze zijn met z’n dertienen. Makram vertelt hoe het ging.

„In Sirte woonden wij in twee huizen met elk vijftien kamers. In elk huis was er één kamer met christenen. Toen de kidnappers kwamen, hebben ze de moslims gedwongen om op alle deuren te kloppen. Toen onze deur aan de beurt was, hebben we ons heel stil gehouden. Later hebben de moslims ons verteld dat ze de kidnappers hebben wijsgemaakt dat er maar één kamer met christenen was.”

Dat het om IS ging, hebben ze pas later gehoord. „We wisten alleen dat het iets heel gevaarlijks was”, zegt Makram. De Egyptische gastarbeiders hielden zich niet bezig met de Libische politiek. Ze waren daar om geld te verdienen om naar huis te sturen.

Er waren wel voortekenen. In 2014 werden ook al veertien Egyptische kopten in Libië gedood. Op 25 december werden in Sirte een Egyptische dokter en zijn vrouw gedood en hun dertienjarige dochter ontvoerd. Zij werd later dood teruggevonden.

Op 27 december werd de eerste groep van zeven kopten uit de onthoofdingsvideo ontvoerd uit de auto waarmee ze op de terugweg waren naar Egypte. De ontvoerders dwongen de Libische chauffeur om hen naar de huizen in Sirte te brengen, waar een dag later de andere slachtoffers werden gekidnapt. „We waren al heel bezorgd na de ontvoering van de groep van zeven”, zegt Makram. „Maar de wegen waren te gevaarlijk om te vertrekken.”

Uiteindelijk gingen de dertien overlevenden toch op weg. Met drie auto’s – twee voor hen en een voor de spullen van de ontvoerden – reden ze twee dagen lang door de Libische woestijn tot ze de Egyptische grens bereikten. Hun Libische chauffeurs reden hen niet uit liefdadigheid, zegt Makram. „We hebben elk 720 dinar (zo’n 500 euro) moeten betalen. En ze zeiden dat als we IS tegenkwamen, ze ons in de steek zouden laten.”

Er zijn geen precieze cijfers van het aantal Egyptenaren dat nog in Libië verblijft: Veel mensen steken illegaal de grens over. Halverwege 2014 noemde de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) het aantal van 1,5 miljoen. Egypte zegt een evacuatie voor te bereiden. Maar een tv-programma confronteerde een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken deze week met een verontrustend gegeven: bij het bellen van dertig noodnummers voor Egyptenaren in Libië werd niet één telefoontje beantwoord.

Een zak rijst

In El Our is weinig kritiek op de overheid te beluisteren. President Sisi heeft het dorp een nieuwe kerk beloofd, en een schadevergoeding van 200.000 pond (20.000 euro) per getroffen gezin. Ook de Egyptische luchtaanvallen van maandag op IS-doelwitten in Libië hebben „onze pijn verlicht”, zegt priester Issa.

Nu de onthoofding is uitgegroeid tot een nationale zaak, is het makkelijk te vergeten dat de ontvoerde kopten tot zondag helemaal geen prioriteit waren in Egypte.

Makram en anderen zijn verschillende keren naar Kairo gegaan om de regering tot actie aan te sporen. „Ze hebben ons gezegd dat dit een zaak van nationale veiligheid was, dat wij er ons niet mee hadden te bemoeien”, zegt Makram terwijl omstanders hem proberen te sussen.

Dat van de compensatie zal Makram pas geloven als hij het ziet. „Toen de Egyptenaren in 2011 uit Libië moesten vluchten hebben ze ons banen beloofd. We hebben een zak rijst en een zak aardappelen gekregen.” Hij heeft geen plannen om ooit nog terug te keren naar Libië. „Ik wil het woord Libië niet meer horen.”