Dansen op het graf van de Grimms

De sprookjes van de Grimms beleefden menige gekuiste ‘make-over’. Alle variaties en Grimm-verwateraars zijn nu geïnventariseerd. Gevulgariseerd of veramerikaniseerd – ze doen er nog steeds toe.

Scéne uit Into the woods, met Johnny Depp en Lilla Crawford

‘Een saai en te braaf gebeuren’. ‘Meryl Streep lichtpunt in matige film’. ‘Een postmoderne potpourri met een hutspot aan sterren’. De recensies van Into the Woods, de bewerking van een Stephen Sondheim-musical naar de sprookjes van Grimm, waren niet bepaald positief toen de film hier twee weken geleden in première ging. Maar als het aan literatuurwetenschapper Jack Zipes had gelegen, waren ze nog veel vernietigender geweest.

De auteur van Grimm Legacies heeft het niet zo op moderne Amerikaanse bewerkingen van de Duitse sprookjes. Volgens hem parasiteren films als Hoodwinked en Maleficent op de originele verhalen, verwringen ze hun oorspronkelijke moraal en trivialiseren ze de barre werkelijkheid van pre-industrieel Europa die er zo mooi doorheen schemert. Zelfs ‘kwaliteitsbewerkingen’ door Disney en The Muppets, waarin naar hartelust geïroniseerd en geactualiseerd wordt, zijn ergerlijke voorbeelden van ‘dumbing down’. De gebroeders Grimm draaien zich om in hun graf.

Jack Zipes mag het zeggen, want voor zijn boek Grimm Legacies deed hij onderzoek naar zowel het Nachleben van de sprookjes in Duitsland en de Angelsaksische wereld als de bedoelingen van Jacob en Wilhelm Grimm. De twee broers waren kinderen van hun tijd, de vroeg-19de-eeuwse Romantiek, en zagen hun Kinder- und Hausmärchen (1812 / 1815) als ‘poëzie van het volk’, vol wijze lessen. Anders dan de titel van hun werk doet vermoeden verzamelden ze niet alleen sprookjes – maar ook sterke verhalen, (religieuze) legendes, dierenfabels en anekdotes – en waren hun verhalen niet voor kinderen bedoeld. Het woord Kinder sloeg op het pure, naïeve karakter van de 210 verhalen die tussen 1812 en 1857 werden gepubliceerd.

Geweld

De belangrijkste factor bij de doorbraak van de sprookjes van Grimm als kinderboek was de Engelse vertaling die in twee delen (1823/1826) verscheen. ‘Vertaling’ is misschien niet het juiste woord, want de adellijke advocaat Edgar Taylor ging nogal vrij om met zijn bronmateriaal. Hij liet de gruwelijkste sprookjes weg, ontdeed de overgebleven verhalen van de scherpe randjes (lees: geweld en incest), veranderde de volgorde en gaf zijn vertalingen een vrolijke, satirische toon – een happy make-over die nog werd versterkt door de toegevoegde illustraties van de gerenommeerde cartoonist George Cruikshank. ‘Hansel and Grettel’ werd onherkenbaar omdat Taylor het op een ander verhaal van de Grimms (‘Broertje en zusje’) entte. In ‘The Frog King’ werden alle verwijzingen naar seks met dieren en buitensporig geweld (de prinses die de kikker tegen de muur gooit!) verwijderd. De heks uit ‘Snow-drop’ hoefde zich niet in kokendhete schoenen dood te dansen, en in ‘Rumpelstiltskin’ scheurt de woedende titelheld zichzelf niet in tweeën.

Taylors German Popular Tales waren een karikatuur van het Duitse origineel, maar zouden de basis worden voor een groot aantal vertalingen, waaronder de Franse uit 1824. Nog interessanter is het dat ze de gebroeders Grimm aan het denken zetten. Veertien jaar na de eerste Engelse vertaling kwamen die met een derde editie van de sprookjes waarin ze zich minder op volkskundigen en filologen richtten en meer op kinderen en gewone lezers – een proces van redigeren en opkuisen dat de oorspronkelijke verhalen minder rauw maakte. En dat terwijl Jacob Grimm in 1813 de eerste editie nog had verdedigd door een vergelijking te maken met de ‘gezonde en krachtige’ verhalen uit de Bijbel die ook niet allemaal geschikt voor alle leeftijden waren.

Zipes beschrijft het beschavingsproces tot in detail, maar je hoort hem tussen de regels door knarsetanden. Geef hem maar de onbezoedelde originelen, die – dat moet hij ook wel toegeven – natuurlijk nooit zo’n mondiaal succes waren geworden. In zijn kritiek op de vulgarisering en veramerikanisering van de Grimmsprookjes lijkt hij een beetje op de marxistische literatuurcritici Ariel Dorfman en Armand Mattelart, die in Hoe lees ik Donald Duck? (1971) de ‘imperialistische ideologie’ van Walt Disney probeerden te ontmaskeren en weloverwogen de eend met het badwater weggooiden. Je kunt ook wel vraagtekens plaatsen bij zijn aanval op de verwateraars van het Grimm-erfgoed. Want is het niet juist een bewijs van de kracht van de sprookjes dat ze al tweehonderd jaar aanleiding geven tot hervertellingen, parodieën, film- en podiumbewerkingen? Wie had Disney’s Snow White and the Seven Dwarves willen missen, of de illustraties van Gustave Doré en Arthur Rackham, of het Sprookjesbos in de Efteling?

Voor literaire variaties heeft Zipes meer sympathie. In The Grimmness of Contemporary Fairy Tales boekstaaft hij nauwgezet de 21ste-eeuwse Engelse en Amerikaanse Grimm-bewerkingen, terwijl hij in een ander hoofdstuk ingaat op Duitse erfgenamen als Günter Grass (wiens Grimms Wörter onlangs in een vertaling van Jan Gielkens verscheen). Het zijn enigszins taaie, academische moetjes in een boek dat vooral verrassend is wanneer het over de 19de- en 20ste-eeuwse verbreiding van het erfgoed van de gebroeders Grimm gaat. Nooit geweten dat het sprookje ‘Met z’n zessen de wereld rond’ een variatie was op de Griekse mythe over Jason en de Argonauten; en al helemaal niet dat het verhaal over een man en zijn vijf hoogbegaafde dienaren de 19de-eeuwse voorloper was van de Amerikaanse superheldenstrips uit de jaren veertig en vijftig.