Zang Joost Spijkers mist Balkan-snik

foto zoran lešic

Joost Spijkers wilde graag zingen. En dus waagt hij zich na zestien jaar toeren met de Ashton Brothers aan een eerste soloprogramma. Met Nederlandstalige liedjes, gespeeld door een vijfkoppige band, op teksten van Peer Wittenbols. Tussendoor vertelt hij steeds kort over zijn leven.

Op zijn zestiende had Spijkers (1977) een vriendinnetje in Sarajevo dat hem cassettebandjes met Joegoslavische muziek stuurde. Het schijnt dat je altijd blijft houden van de muziek die je in je puberteit hoort, zegt hij. Vandaar dat de liedjes van zijn band geënt zijn op de slepende weemoed en de jachtige feestritmes van de Balkan. Meer ritme dan melodie hebben ze, waarbij de keuze om geregeld voor een minimale begeleiding te kiezen goed uitpakt.

Spijkers zingt over zijn leven, zijn kinderen, zijn moeder. Veel liedjes hebben betrekking op zijn gulzigheid op het gebied van liefde en drank. De teksten van Wittenbols gaan zonder omwegen op hun doel af: „Ik ben een man/ jij bent een vrouw/ dat lijkt me meer dan voldoende voor nou.”

De stem van Spijkers, vol en wendbaar, leent zich daar goed voor. Minder is dat bij de nummers die meer vragen, omdat ze gevoelig willen zijn. Dan ontbeert zijn de zang de laagte en het karakter om echt te raken. De snik van de Balkan blijft uit.