Waar is de dichter zelf in deze soap gebleven?

Deze poëzie-promotor weet het genre in zijn eigen werk aardig richting proza op te schudden. Hij presenteert verwarring, niet ongeestig taalspel en een zekere virtuositeit. Maar is dit nog wel poëzie?

Foto Thinkstock

Arnoud van Adrichem is alomtegenwoordig in het literaire veld. Hij was jarenlang redacteur van het tijdschrift Parmentier, zit in de redactieraad van het tijdschrift DW B en is medeoprichter en redacteur van De reactor, het digitale platform voor literaire kritiek. Daarnaast publiceerde hij onder meer drie dichtbundels: Vis, Een veelvoud ervan en – onlangs – Geld.

Van Adrichems eerste bundel werd genomineerd voor de Buddingh’–prijs en bekroond met de Hugues C. Pernathprijs 2009 en het Charlotte Köhler Stipendium 2009. Volgens verscheidene critici bevestigde hij zijn talent onmiskenbaar in Een veelvoud ervan. ‘Een fonkelende commercial voor de poëzie,’ noemde Jasper Henderson die bundel in de Poëziekrant. In alles wat hij doet is Van Adrichem inderdaad een poëzie-promotor. Maar schrijft hij zelf goede poëzie? En is het wel poëzie wat hij schrijft?

Ruim gesteld onderscheidt een gedicht zich van een prozatekst doordat de dichter zelf bepaalt waar een regel ophoudt en een nieuwe begint. Bij proza is die regelval ondergeschikt aan een grafisch ontwerp. Dat er ook prosodische regels zijn voor poëziemakers, ziet deze definitie over het hoofd. En daar is de schoen in de afgelopen decennia gaan wringen.

Met Geld draagt Van Adrichem bij aan de verwarring in het genre. De drieregelige tekstjes in de reeksen ‘(Afschrijvingen)’ tellen steeds vijf, zeven en vijf lettergrepen, zoals in een haiku. De dichter heeft dus weet van prosodie. Opmerkelijk ook is dat elk van de teksten in de vier cycli, van ‘Groene waas’ tot en met ‘Evenwichtsvoorwaarden’, inclusief de titel twaalf regels heeft.

Tot zo ver lijkt het dus op poëzie. Maar de grondtoon lijkt die van een soap-serie, waarin de lezer of toeschouwer van cliffhanger naar cliffhanger in het ongewisse wordt gelaten. Er is een verteller en er zijn twee, bij naam genoemde personages, maar die Rijkman en Usura zijn en blijven tot het einde toe ‘flat characters

Positief zou je kunnen stellen dat Arnoud van Adrichem het genre stevig opschudt. Geld is één lang, niet ongeestig taalspel over financiële manipulaties. Rijkman is daarin ‘een vliegend schaakbord’ en als zodanig de boef die hij voor zijn tegenspelers ook werkelijk is. Voor door de bank genomenen staat alles onder water. ‘Tot liphoogte gestegen!’ aldus Van Adrichem:

De tafel een houtvlot,

de strijkbout een meerkoet,

schreef een bijstandsmoeder

met gevoel voor metaforen.

In dit soort geestigheden grossiert de verteller van Geld. Wrang humoristisch dikwijls, als was hij zelf lijdend voorwerp van het bankmisdrijf.

Een minpunt vind ik – zoals ik dat al in het debuut van Van Adrichem vond – dat de innerlijke noodzaak ontbreekt. De teksten blijven tussen de oren, ver van het middenrif. Het wordt zelden meer dan taalspel, zoals in de ‘language poetry’ van bij voorbeeld de Amerikaan Ron Silliman of, in Nederland, de te jong gestorven Jeroen Mettes. Van Adrichem bewondert die stroming. Maar wat is de literaire meerwaarde van bij voorbeeld:

Hoe slijtvast is zo’n munt?

Vergaat zijn beeltenis, betekenis, van hand tot hand

en in de loop der jaren? Dat zijn goede vragen voor

de trouwerij, als het bruidje haar juweel van jewelste

aan beschonkenen wil showen. Diamanten pochen.

Liever onderhoudt u haar over bronsrot, tinpest en

gietgal. Sinds gisteren hebt u benul van muntkunde

(numismatiek in de volksmond). Zoals de trouwring

ongezien passeert, wil niemand horen over ligatuur,

de sleischat of de cartouche van de zilveren rijder.

Ja, één dichter die distel verstaat in plaats van listel,

beton in plaats van jeton.

Virtuositeit valt de dichter niet te ontzeggen, en hij kent het numismatische jargon. Dit is ook nog een van de betere teksten. Maar waar is Van Adrichem zelf? De teksten in Vis, Een veelvoud ervan en Geld hebben zeker een eigen smoel, maar ik mis een eigen stem. Dat is ongetwijfeld ook het gevolg van het cataloguskarakter van Geld. Arnoud van Adrichem verkent alle uithoeken van het bankgebeuren en de financiële terminologie. Nu eens doet hij dat als directeur die zijn personeel toespreekt, dan weer als standwerker of cabaretesk commentator. Niet altijd is duidelijk wie de ‘U’ is die wordt toegesproken, Dat schept vrijblijvendheid, en dat stelt teleur.