Vantoortelboom weet hoe je kan volharden in een roerloos bestaan

Er zullen nogal wat startende schrijvers zijn die met de nodige afgunst kijken naar het in korte tijd opgebouwde succes van de Vlaming Jan Vantoortelboom (1975). Zijn debuut uit 2011, De verzonken jongen, kreeg mooie kritieken en werd bekroond met de Bronzen Uil. Opvolger Meester Mitraillette, vorig jaar gepubliceerd, groeide, deels met dank aan het boekhandelpanel van DWDD, prompt uit tot een bestseller. Volgens zijn uitgever zijn er 25.000 van verkocht.

Vantoortelboom heeft zijn vers verworven lezers niet lang op een nieuw boek laten wachten. De titel van zijn ‘roman’ (al is de classificatie ‘novelle’ beter op zijn plaats) slaat echter niet op Vantoortelboom zelf. Alhoewel het boek deels is opgebouwd met materiaal dat ook al in De verzonken jongen en Meester Mitraillette viel aan te treffen – plots afgebroken gezinsgeluk, het leraarschap, levensangst – draait het toch vooral om het thema tijd. De ‘haast’ uit de titel lijkt in dit verband bijna ironisch te zijn (en dat terwijl Vantoortelboom niet bepaald een ironisch auteur is), want als zijn hoofdpersoon iets verafschuwt is dat het wel. De kalmte van Leon, conciërge op een school, wordt slechts doorbroken als hij mensen treft die hun leven laten dicteren door klok, agenda of een andere vorm van tijdsstructurering.

De reden hiervan is dat Leon, om David Grossman te parafraseren, al op jonge leeftijd ‘uit de tijd valt’ als het meisje dat op hem past in zijn nabijheid gehandicapt raakt. Er zit vanaf dat moment nauwelijks nog voorwaartse energie in hem. Hij blijft deze Elsie trouw bezoeken in een verzorgingshuis, laat ontplooiingskansen schieten en lijkt dan ook lange tijd een ideale kandidaat voor een vrijgezellenbestaan zonder illusies te zijn.

Dat de tekening van zo’n bestaan geen futloos proza heeft op geleverd is te danken aan Vantoortelboom, want hij is een van die weinige schrijvers die juist onder zulk soort roerloze omstandigheden floreert. Leon is, op de beste momenten, geen wanhopig geval, maar iemand die in zijn afwijkende levensbeschouwing blijft volharden. Zijn eerste ervaring met het ‘los van de tijd’ staan is voor hem een ‘onoverwinnelijk gevoel’. Uiteraard gaat met deze houding ook een vorm van vervreemding gepaard. ‘Je staat voor geschiedenis’, zegt een vriend op zeker moment tegen hem, doelend op een historisch pand in zijn buurt. Die zin kunnen we op twee manieren opvatten.

De man die haast had is essayistischer dan Vantoortelbooms eerdere werk. Hier staat het uitwerken van een idee, van misschien zelfs wel een kleine filosofie, centraler dan het neerzetten van een dramatisch veld. Het is kaler, koeler ook, en Vantoortelboom heeft zijn stijl er op aangepast. Het sappige Vlaams uit eerder werk is nagenoeg verdwenen; je hebt goed door dat hier iemand van de krullen af wil en nu wel weet welke gedachte hij naar voren wil schuiven.

Dat is moedig en misschien wel inherent aan groei, maar het pakt ook minder beklijvend uit. De betoverende scènes in Meester Mitraillette, waarin je in het duister tastte hoe Vantoortelboom het voor elkaar speelde, zijn hier niet aan te treffen.