Tel het aantal vrouwen

De filmindustrie wordt gedomineerd door blanke mannen – ook weer bij de Oscarnominaties. Veel filmfestivals hebben daarom speciale vrouwenprogramma’s. Moet dat nou echt? Helaas wel, schrijft Mea Dols de Jong.

Foto AP

Houd jij ook zo van mannen? Ik wel. Het liefst staar ik uren naar ze. Naar de prikkelende haartjes op hun kaaklijn en de mooie rondingen van hun ferme billetjes. Met de Oscars dit jaar kan mijn geluk niet op. De uitreiking komende zondag is een garantie voor non-stop manstaren. Dat Hollywood houdt van protagonisten met een, liefst witte, schwanz tussen de benen is geen geheim. Maar dit jaar schittert de gouden patriarch op de rode lopers wel heel hard.

Even wat cijfers op een rijtje:

Hoeveel vrouwelijke regisseurs zijn er dit jaar voor een Oscar genomineerd? Nul

Hoeveel vrouwelijke scenaristen? Nul

Hoeveel vrouwelijke componisten? Nul

Hoeveel vrouwelijke cinematografen? Nul

En misschien nog wel het belangrijkste: hoeveel van de verhalen genomineerd voor beste film gaan over een vrouw? Precies. Nul

Worden de Oscars dan één groot mannenfeest? Nee, er zijn ook een paar nominaties voor vrouwen. De meeste vallen in de categorieën kleding, haar en make-up en productie (al is dit in alle gevallen samen met een man). En voor beste actrice natuurlijk, al lijkt het me moeilijk voor mannen om ook deze categorie te domineren.

‘The white male gaze’

Het afgelopen jaar laait de discussie over vrouwen in de filmindustrie op. Filmblogs spuien over de ‘white male gaze’. En filmfestivals dragen hun steentje bij door speciale vrouwenselecties te maken. Zo had IDFA dit jaar The Female Gaze-selectie, en claimde Berlijn dat het dit jaar de focus legde op ‘sterke vrouwen’ – dat van de 23 competitiefilms er maar drie door vrouwen werden gemaakt, daar hebben we het maar even niet over – en had het Rotterdam Filmfestival een programma getiteld What the F. Inderdaad: F staat voor feminism. Een speciaal programma alleen voor vrouwelijke filmmakers.

Jak. Is dat nou echt nodig? Helaas (nog) wel.

Begrijp me niet verkeerd. Zwaaien met een beschuldigend feministisch vingertje is niet zo van mijn generatie. Maar als ik de lijst met Oscarnominaties zie, denk ik: hier zou een tegengeluid van okselhaar- en spandoekdragende powervrouwen uit de sixties best welkom zijn.

Omdat feiten zo heerlijk voor zichzelf spreken heb ik er nog één voor je. Tussen de 80 en 90 procent van de Amerikaanse films zakt voor de Bechdeltest, een test om te kijken hoe seksistisch films zijn. Een film slaagt voor de test als het de volgende drie punten kan afvinken.

De film heeft...

1. Twee vrouwen

2. Die met elkaar praten

3. Over iets anders dan een man

Lord of the Rings, Breakfast at Tiffany’s, De Kleine Zeemeermin en alle Harry Potter-films, op één na, allemaal zakken ze. Al moeten we de Bechdeltest niet al te serieus nemen. Er zijn prachtige non-seksistische films die voorbij gaan aan de lijnen van stereotypering en toch de test niet halen, denk bijvoorbeeld aan 12 Years a Slave en alle andere films van Steve McQueen. Maar wat het wel laat zien is dat vrouwen als personages slecht vertegenwoordigd worden.

En hoeveel ik er ook van hou om naar mannen te staren, het is toch wel fijn om ook andere perspectieven vertegenwoordigd te zien in onze beeldcultuur. Er zijn theorieën die de stereotyperende beeldcultuur als grote oorzaak aanwijzen dat meisjes op jonge leeftijd al beperkt worden in hun keuzes. Maar ook zonder dit zou het geen kwaad kunnen om ons wat meer te verdiepen in andermans perspectieven, vrouw, gay, immigrant, bedenk het maar.

Waarom zijn vrouwen in Hollywood zo onpopulair als protagonist? Dit is voer voor sociologen, politicologen, filosofen en economen. Maar als ik een kleine suggestie mag doen: zou het te maken kunnen hebben met het feit dat van de Amerikaanse regisseurs slecht 9 procent vrouw is? En hier komen we in een vicieuze cirkel terecht. Want het beeld wat de meeste mensen van een leidinggevende regisseur hebben – je weet wel zo eentje met een megafoon, krulsnorretje en klapstoel – is toch een man.

Voer voor sociologen

Gelukkig biedt Zweden een vooruitblik op de geëmancipeerde toekomst. Toen Anna Serner in 2011 directeur van het Zweedse filmfonds werd, zag zij meer gendergelijkheid niet meer als richtlijn, maar als regel. Vanaf haar toetreden werd de helft van alle filmsubsidies sowieso aan vrouwelijke makers uitgekeerd. Een zeer omstreden quotum, want hoe kan je iets als kunst beoordelen op gender? Anderzijds: sinds het quotum heeft Zweden nog nooit zo veel internationale filmprijzen gewonnen. Volgens Anna prikkelt deze ‘andere blik’ op film, heeft het iets verfrissends, iets wat we nog niet kennen. En dat wordt internationaal opgepikt.

Nederland scoort op de filmische emancipatieladder redelijk goed, gemiddeld 30 procent van alle subsidies gaat naar vrouwelijke regisseurs. Maar: hoe commerciëler de films hoe tietlozer de makers. Kijken we buiten de gesubsidieerde film, dan wordt het plaatje veel tragischer. En zoals Anna Serner met zwaaiend vingertje zegt: 30 procent is geen 50 procent!

Dus kunnen we iets leren van Zweden? De discussie van een vrouwenquotum laat ik even aan me voorbijgaan. Maar stel dat Nederland toch de stoute schoenen aantrekt en hiermee zou willen experimenteren, mag ik dan een voorstel doen? Pak als experimenteervijver niet alleen de film- maar ook de televisiewereld en sla meteen twee vliegen in één klap: je vrouwen aan de top én je beeldcultuur.