Column

Ontmaagding

De ontmaagdingsvraag. Mannen stellen ’m wel vaker. Ik zat op het strand van Miami te lezen, met mijn rug tegen een opslaghuisje bedoeld voor strandstoelen, beschut tegen de wind, toen ik werd benaderd door twee frisse mannen in zwembroek. Zij gingen die avond naar een club en ik moest mee. „Ben je weleens met een gespierde latino en een roodharige Brit uitgeweest?” Dat daar is de ontmaagdingsvraag. Hij komt in alle vormen, maar de vragensteller gaat er altijd vanuit dat hij de toehoorder iets speciaals kan bieden. De vragensteller veronderstelt een gemis, zoals een verkoper dat ook doet, maar hier staat geen geld op het spel; hij wil zichzelf vooral als uniek aanmerken. We hebben andermans verwondering nodig om te bevestigen dat we uniek zijn, maar het is tegelijkertijd ook de de ander die precies die illusie doorbreekt. Want de ander maakt dingen mee zonder jou en wijst je erop dat je bestaan niet noodzakelijk is voor het manifesteren van de wereld.

Om die confrontatie te vermijden azen mannen op de bevrijdende onwetendheid van anderen, terwijl vrouwen beter hun best gaan doen om zich te onderscheiden.

Ze gingen.

Op datzelfde strand stond een tienervrouw met haar rug naar de Atlantische Oceaan. Haar bikini was wit om de eerste vormen optisch volwassen te maken. In haar hand hield ze een selfiestok. Dat is een stok waarmee je selfies kunt maken op een afstand die flatteuzer is dan de lengte van je arm.

Ze stond daar zeker tien minuten. Ik staarde al die tijd naar haar. Het is gek: hoewel ik eigenlijk naar een halfnaakt meisje aan het gluren was, voelde ik me daartoe gerechtigd. Waarschijnlijk omdat ze zo schaamteloos en langdurig naar zichzelf keek. Misschien dat het recht op privacy daarom zo slapjes wordt verdedigd: we zijn zo veel met onszelf bezig dat we ons eigenlijk wel kunnen voorstellen dat een ander alles van ons wil weten.

Al een paar dagen denk ik aan de selfiestok. Wanneer je in de buurt van toeristen bent, zie je het ding overal. Het valt me op zoals het me tien jaar geleden nog verbaasde wanneer mensen een mobiele telefoon gebruikten. Aandoenlijk zoekend naar betekenis, maalt het door mijn kop: wat zegt dat ding in godsnaam over ons? Misschien X, misschien Y, misschien moet de selfiestok de werkelijkheid bevrijden van haar chaos: door ieder moment te vangen, deelt het leven zich op in overzichtelijke brokken.

Waarschijnlijk is dat het enige significante aan de selfiestok: dat ik er dolgraag wat over zeggen wil. Het idee dat een fenomeen dat plots zo aanwezig is in ons straatbeeld geen betekenis heeft, is moeilijk te verkroppen.

Krampachtig probeer ik van deze tijd een ontmaagding in de geschiedenis te maken. Alsof er nu iets gebeurt wat nooit eerder plaatsvond.

Ik benader de tijd als een vent.