Nederland moet weer over z’n eigen wetten gaan

De liberalen willen de macht van het internationaal recht in Nederland inperken. Vandaag doen ze een voorstel.

Demonstranten tegen het kraakverbod (2011). Als de politiek kraken verbiedt, vindt Kamerlid Taverne, is het niet aan een rechter kraken op grond van Europese regels – recht op huisvesting – wel toe te staan. Foto’s Olivier Middendorp

De VVD is tegen internationale verdragen, en eigenlijk ook tegen mensenrechten. De VVD wil het liefst van kritische instanties af, omdat die de wetgever maar in de weg zitten.

Dat beeld, dat klopt dus niet, zegt Tweede Kamerlid Joost Taverne. Hij is woordvoerder staatsrecht in de VVD-fractie: „Ik wil niet de indruk wekken, wat door sommigen wel is gebeurd, dat wij van dingen af willen omdat ze ons niet uitkomen.” Draai het eens om, zegt hij: „Had onze staatsinrichting ooit wel zo uit de hand moeten lopen? Want dat is volgens mij wat er is gebeurd.” Hij bedoelt dat internationaal recht altijd vóór Nederlandse wetten en regels gaat. Dat moet volgens hem anders.

Taverne wil de Nederlandse staatsinrichting „democratischer maken”. Hij heeft een lijstje voorstellen, het ene ingrijpender dan het andere. Het ene ook haalbaarder dan het andere.

Vandaag dient hij een relatief klein en onomstreden wetsvoorstel in, dat regelt dat het kabinet internationale verdragen niet langer ter stilzwijgende goedkeuring aan de Tweede Kamer mag voorleggen, als die verdragen verbindende bepalingen bevatten die voor iedereen gelden. Bijvoorbeeld artikel 8 uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven.

Hoe vaak sluit de regering internationale verdragen af, zonder dat de Tweede Kamer erover spreekt?

„Het aardige is: dat weten we niet. Er komen jaarlijks nog best wat verdragen bij, waarvan we als Tweede Kamer uiteindelijk alleen horen dát ze gesloten zijn. Ik wil dat democratische gat dichten: voortaan moet de regering elk internationaal verdrag waarin voor iedereen verbindende verklaringen staan, uitdrukkelijk aan de Kamer voorleggen.”

Waarom? Kunnen partijen er dan nog tegen stemmen?

„Nee, dat is het uitgangspunt niet. Idee is dat de rechter later betere handvatten heeft om te bepalen hoe de wetgever zo’n verdrag eigenlijk heeft bedoeld. Dat kan beter als de Tweede Kamer erover heeft gesproken en er dus een wetsbehandeling op papier staat. Nu moet de rechter vaak zelf maar interpreteren hoe internationale verdragen zijn bedoeld. Dat probleem los je hiermee op.”

Vorig jaar kwam Joost Taverne met het plan om Nederlandse rechters hun oordeel niet langer aan internationale verdragen te laten toetsen – een wijziging van de Grondwet. Het kwam hem op flinke kritiek uit de juridische wereld te staan, onder andere ook van het College voor de Rechten van de Mens. Die toetsing aan internationale grondrechten is volgens het College juist belangrijk omdat rechters niet aan de Grondwet mogen toetsen. Via deze U-bocht kunnen rechters de grondrechten toch meenemen in hun oordeel.

U wilt rechters handvatten voor interpretatie geven, maar hun intussen de hele internationale toetsing ontnemen?

„Dat beeld is ontstaan, dat ik de rechter iets wil afpakken. Maar eigenlijk wil ik de rechters veel meer laten toekomen aan waar zij voor zijn. Strikt genomen is alles wat de rechter moet doen: de wet toepassen. Dus niet bepalen wat de wet ís. Dat is heel iets anders.

„De rechtspraak krijgt wel eens kritiek dat zij op de stoel van de politiek gaat zitten. Dat is soms onontkoombaar, omdat de wet de rechter blijkbaar onvoldoende houvast geeft. Dat is ook iets wat we als politiek, als wetgever, hebben laten gebeuren.”

U vindt dat de rechter te veel zeggenschap heeft gekregen?

„Het primaat moet terug naar de wetgever. Bekend voorbeeld is het kraakverbod. Als wetgever zeiden wij: kraken moet niet meer kunnen. Dan komt er een rechter die zegt, hé, dat is in strijd met het recht op een privéleven zoals dat vastligt in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dan denk ik: kom, wij zijn geen bananenrepubliek. Dat kunnen we best in Nederland oplossen. En bovendien hol je met zo’n uitspraak het begrip ‘mensenrechten’ uit.”

Gevraagd wie nu het staatsrechtelijk geweten van de VVD is, noemt Taverne niet minister van Veiligheid en Justitie Opstelten of diens staatssecretaris Teeven. Hij klopt, half grappend, op zijn eigen schouders. „Ik heb diep over deze thema’s nagedacht.”

Door Tavernes opvattingen veranderde de VVD-fractie van standpunt over het wetsvoorstel-Halsema, dat regelt dat Nederlandse rechters voortaan altijd aan de Grondwet mogen toetsen. Burgers zouden dan beter beschermd zijn tegen de politieke waan van de dag. „Het klinkt leuk, maar onze Grondwet is daar helemaal niet voor geschreven.”

Tavernes voorstel gaat precies de andere kant op: rechters zouden niet langer aan internationale verdragen mogen toetsen.

Toen hij er voor het eerst mee naar buiten kwam, vergeleek hij mensenrechten met theezetten. Hij zei: „Als je lang blijft doorpraten, is alles een mensenrecht. Dan word ik straks zelfs gedwongen om geen thee meer uit de automaat te schenken, maar zelf thee te zetten.”

Met zo’n uitspraak is het toch logisch dat mensen denken dat de VVD het niet serieus meent met mensenrechten?

„Ik had een gelukkiger voorbeeld kunnen kiezen. Maar het is ridicuul te denken dat de VVD tégen internationaal recht is. Mijn punt is: in Nederland gaan we niet meer over onze eigen wetten. Dat is toch bizar? Ik vind die regel dat alle internationaal recht altijd voorgaat in Nederland, op álles, een onzeker gevoel geven.

„Natuurlijk zie ik de achtergrond. Het internationaal recht nam in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een enorme vlucht. Nederland liep voorop, en de parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van verdragen was groot. Dat is nu anders. Ik heb gezien hoe die verdragen tot stand komen en ik kan je zeggen: democratisch is het niet. Veel peer pressure van collega’s en uiteindelijk de laatste minister die zijn handtekening maar zet.

„Door besluiten van toen zitten we nu met een democratisch gat. Ik vind het moeilijk te verkopen dat wij in Nederland als Kamer steeds minder te zeggen hebben over wat hier de wet is. Ik wil geen systeem waarin de rechter kan oordelen over het zoveelste internationale protocolletje uit 1954.”

Ook ‘grote’ rechten worden door die verdragen beschermd. Neem recente uitspraken over opvang van illegalen. Die zijn gebaseerd op Europese verdragen over basisvoorzieningen waar een mens recht op heeft.

„Ik ken die uitspraken niet goed. Maar ik vind dat wij groot en wijs genoeg zijn om daar zélf een besluit over te nemen. De Nederlandse democratie wordt sluipenderwijs uitgehold, zonder democratische legitimatie. Kennelijk zijn wij niet mans genoeg om zelf te bepalen wat we belangrijk vinden.”

Dus u legt het centrum van de macht helemaal bij de wetgever.

„Dat is volgens mij de kern van democratie. Het is niet veel ingewikkelder dan dat mensen een parlement kiezen op basis van beloften die kandidaten doen. Zij voeren hun ideeën vervolgens door via wetgeving en als het kiezers toch niet bevalt, dan stem je ze de volgende keer weg. Kennelijk volstaat dat niet en dat vind ik raar.”

Geldt internationaal recht straks dan nog in Nederland?

„Als wij daar als Kamer over gesproken hebben. Iets kan evident van belang zijn, maar wij leggen er dan een nuance voor Nederland overheen.”

Een meerderheid van de Tweede Kamer is aan coalitiebelangen gebonden. Overschat u de vrijheid en principes van Kamerleden niet?

„Die politieke component ontken ik niet. Maar hier gaat het om gróndrechten, niet om reguliere wetsvoorstellen. Als grondrechten ergens werkelijk snoeihard geraakt zouden worden, durf ik wel te stellen dat Kamerleden zonder last zullen stemmen. En vergeet niet: als ze dat niet doen, is het voor iedereen zichtbaar.”

Zonder steun van de VVD maakt het voorstel-Halsema amper kans. Maar hoe haalbaar is uw plan?

„Dat is een, laat ik zeggen, challenge. Ik wist dat het ingewikkeld ging worden. Wetsvoorstellen dien je natuurlijk niet alleen in om er een leuke discussie over te hebben, maar ik weet wel dat hier nu over wordt gesproken binnen de rechterlijke macht. Ik ben er nu drie jaar mee bezig en hoor steeds vaker: je hebt een punt. Misschien is deze grondwetswijziging volgens hen niet de methode, maar ze zien wel dat er iets niet goed zit in onze scheiding der machten.”