Make love

Altijd als ik langs het Maagdenhuis fiets, denk ik: hier gebeurde het toen er nog wel eens wat gebeurde. Dat ik geloof dat er destijds iets onwaarschijnlijk heftigs plaatsvond komt omdat ik ooit iemand ontmoette die beweerde ‘ontstaan’ te zijn tijdens de Maagdenhuisbezetting. Aanvankelijk vatte ik dat, krankzinnig genoeg, op alsof die vrouw daar, al dan niet onder invloed van LSD, een spirituele ervaring had en ter plekke precies begreep hoe ze in elkaar zat, waar ze voor stond, wat haar idealen waren – waarschijnlijk omdat ik dat zelf zo graag wilde weten van mezelf, maar deze persoon bedoelde het zeer letterlijk. Er werd daar in ’69 blijkbaar ook geëngageerd geneukt. En waarom ook niet? Make love, not war, het paste natuurlijk prima bij de tijdsgeest. Het verhaal deed in elk geval iets met mijn fantasie en het vormde mijn idee over protesteren en anarchie; de honderden hippies die daar barricadeerden, zopen, neukten en vergaderden en die er na vijf dagen aan hun baard en wilde haren werden uitgetrokken door de politie kregen wel hervormingen voor elkaar. Zo kon dat dus gaan.

De Maagdenhuisbezetting was voor mijn gevoel ook typerend voor het Amsterdam van ’69: betrokken, anarchistisch, vol jeugdige bravoure, broeierig, losbandig. Spannend. Iedereen was erbij, het was legendarisch. En ik was verdomme nog niet geboren! Die Provobeweging had ik ook al gemist. Later bleek dat ook heel veel mensen uit de generatie van mijn ouders dat hele Maagdenhuis nog nooit van binnen hadden gezien, ook al deden ze nog zo erg alsof, maar toch, dat zei ook al wat.

Sinds enkele dagen is nu het Bungehuis bezet. De eisen van de studenten van nu zijn opvallend hetzelfde als 46 jaar geleden. Onder andere: een democratischer universiteit, waarbij studenten en medewerkers meer zeggenschap krijgen. Omdat ik sympathiseer met de actie, maar ook omdat ik gewoon ordinair nieuwsgierig was, greep ik mijn kans en toog ik naar het Bungehuis. Ik had een extra dikke trui aangedaan.

Studenten hielpen me naar binnen via een ladder en een raam. Eenmaal binnen zag ik niet de taferelen die ik me had voorgesteld van ’69: collectief Boudewijn de Groot-liederen zingen, Sartre declameren, seks tegen een stencilmachine waar principiële pamfletten uitrolden, drugs, rommel, chaos. Ik zag gewoon: Het Bungehuis. Het zag er nog precies zo uit als toen ik er geschiedenis studeerde en daar een incidentele werkgroep had. Automatisch overviel me de angst of ik mijn referaat wel goed had voorbereid en of ik mijn syllabus niet was vergeten.

Een vriendelijke jongen leidde me rond. Studenten zaten hard te leren („We gaan gewoon naar werkgroepen, hoor”). In de bibliotheek, die er verder keurig uitzag, lagen tussen de Russische literatuur de restanten van een bescheiden slaapfeestje opgevouwen. Op de gang riep iemand hard in zijn smartphone: „Nee, dat moet je niet zeggen, dat vinden rechters echt heel kut.” Dat was het heftigste wat ik er meemaakte. „Over een uur begint er een lezing over hydrologie”, zei de student enthousiast toen we zo’n beetje rond waren.

Dames en heren, ik was erbij.