Links ongemak bij Obama’s islamvisie

Drie dagen lang ging het in het Witte Huis over radicalisering. Het belangrijkste resultaat: Amerika praat over religie.

Deze week praatten wereldleiders en burgemeesters, onder wie de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb, in Washington over de aanpak van extremisme. En drie dagen lang was de Amerikaanse regering druk bezig gevoeligheden te omzeilen. Sommige deelnemers, zoals Abouteleb, schroomden niet over islamitisch extremisme te praten. Maar de regering-Obama deed haar best de conferentie over extremisme in het algemeen te laten gaan.

Door die spagaat eindigde de conferentie, bedoeld om tot ideeën te komen om radicalisering tegen te gaan, ongemakkelijk. Obama kreeg kritiek in eigen land, ook uit progressieve hoek, dat hij de relatie tussen radicaal islamisme en terrorisme verdoezelde.

In een speech zei de Amerikaanse president woensdag dat „Amerika niet in oorlog met de islam is”. En: „Geen religie is verantwoordelijk voor terrorisme. Mensen zijn verantwoordelijk voor geweld en terrorisme.”

Door de Islamitische Staat (IS) en andere terreurgroepen islamitisch te noemen krijgen ze volgens Obama onterecht legitimiteit. „We hebben allemaal de verantwoordelijkheid om het idee te verwerpen dat groepen als ISIL [zoals Obama IS noemt] op een of andere manier de islam vertegenwoordigen. Dat speelt de waarheid van de terroristen alleen maar in de kaart.”

De speech tekent de andere kijk van Amerikanen op religie en extremisme. Veel meer dan in Europa wordt de godsdienstvrijheid als centrale verworvenheid gezien.

Dat verklaarde ook de relatief lauwe Amerikaanse reactie na de aanslagen in Parijs. Het Witte Huis veroordeelde het terrorisme, maar er was ook breed ongemak bij de Charlie Hebdo-cartoons, die de islam (en andere religies) op de korrel namen. Ook is Obama bezorgd over een toename van religieuze spanningen in de VS.

Tegelijkertijd, en dat maakt Obama’s positie extra precair, gaan de VS voorop in de strijd tegen terrorisme. De Amerikanen leiden de luchtcampagne tegen IS in Irak en Syrië. Vorige week vroeg Obama het Congres toestemming om alle benodigde militaire middelen in te zetten. Dat duidt erop dat Obama verwacht dat de oorlog nog jaren duurt. Er is de president veel aan gelegen deze oorlog geen religieuze component te geven.

In eigen land komt die houding hem al langere tijd op conservatieve kritiek te staan. De Republikeinen doen er alles aan Obama als een cultuurrelativist af te schilderen. Fox News-presentator Bill O’Reilly, een belangrijke stem op rechts, zei deze week in zijn programma: „De Heilige Oorlog is er al. En de president is de laatste die dat wil toegeven.” Ook volgens Jeb Bush, beoogd presidentskandidaat, bagatelliseert Obama religie.

De New Yorkse oud-burgemeester Giuliani ging het verst. Hij maakte er een kwestie van patriottisme van: „Ik denk niet dat de president van Amerika houdt.” Toen hij daarop beschuldigd werd van impliciet racisme, verwierp hij dat met: „Dat slaat nergens op. Obama’s moeder is blank.”

De kritiek van rechts is niet nieuw. Wél nieuw is het ongemak onder progressieven over de vraag op wie de strijd tegen extremisme nu gericht is. De invloedrijke columnist Roger Cohen richtte zijn pijlen in The New York Times op Obama’s uitspraak dat IS een „duistere ideologie” heeft. „Dat is zoiets als zeggen dat het nazisme een reactie was op de Duitse vernedering na de Eerste Wereldoorlog: waar, maar volledig ontoereikend.”

Aboutaleb had gisteren na afloop van de conferentie, overigens lof voor Obama. „Hij legde de nadruk op de politieke agenda die IS nastreeft, en het feit dat arme sloebers misbruikt worden voor die agenda. Hij zei terecht dat het niet om de islam zelf gaat. Het gaat erom wat mensen ermee doen.”

Het resultaat van de radicaliseringstop voor de internationale gemeenschap is misschien beperkt. Maar het belangrijkste resultaat voor Amerika is dat er een debat over religie is ontstaan. Dat gaat verder dan alleen de vraag of je wel of niet van islamitisch terrorisme mag spreken. Het gaat vooral over de vraag of religie onderwerp van publiek debat mag zijn.