Leiden heeft weer een fatsoenlijke zaal

In Leiden had je wel het LVC, maar dat was een donker hol waar artiesten noch bezoekers zich echt prettig voelden. Maar nu is Gebr. De Nobel geopend, waarmee de Zuid-Hollandse stad eindelijk weer een echt poppodium heeft.

DeWolff in Gebr. De Nobel, het nieuwe poppodium in Leiden. Foto Andreas Terlaak

‘Woe-hoe!” Pablo van der Poel schreeuwt het uit. De zanger-gitarist van het Limburgse rocktrio DeWolff kijkt voldaan de zaal in. Na een inspectie van de arena waar zojuist zowaar is gepogood én gestagedived, laat hij zijn blik over de dubbele ring met balkons glijden. „Hé Leiden”, roept hij. „Volgens mij zijn we uitverkocht. Jullie hebben het goed voor elkaar hier.”

Leiden juicht. En dat mag wel ook. Want DeWolff is deze vrijdagavond de fonkelnieuwe concertzaal Gebr. De Nobel vakkundig aan het slopen met hun stomende, psychedelische jams. Terwijl Robin Piso zijn vingers over de toetsen van zijn ronkende Hammond laat racen, springt Van der Poel boven op diens orgel om een gierende solo uit zijn gitaar te persen. Drummer en broer Luka beukt alles aan elkaar.

Maar Leiden juicht ook omdat het van ver komt. Ruim anderhalf jaar zat de stad zonder fatsoenlijk poppodium – deftige theatertours in de schouwburg en zweterige undergroundshows in de Multiplex en Qbus even niet meegerekend. Het podium van het LVC aan de Breestraat moest namelijk wijken voor appartementen en winkels.

Maar Leiden zit eigenlijk al veel langer zonder fatsoenlijke concertzaal. Want het LVC was ‘een donker hol’, zegt programmeur Leontine de Reede. „Veel mensen durfden niet naar binnen”, beaamt directeur Ruud Visser. „Zeker niet toen elders zowat alle concertzalen waren veranderd in popschouwburgjes.” De Reede: „Daarbij vergeleken vonden ze ons een rare hippietent.”

De Dijk was hier te commercieel

Dat klopt historisch gezien ook wel. Het Leids Vrijetijds Centrum was een doorstart van het in 1969 opgerichte Kreatief Sentrum. „Het belangrijkste doel was er samen dingen doen”, aldus Crash the party, het jubileumboek dat ter ere van het veertigjarig bestaan verscheen. „Een cursus volgen, kunstzinnig bezig zijn, dansen, thee drinken, discussiëren en blowen waren er de belangrijkste bezigheden. En soms was daar levende muziek bij.” Gaandeweg zouden de bands de blowers (en hun inpandige wietwinkel) verdringen, maar de eigenzinnigheid bleef. Bijvoorbeeld toen in de jaren tachtig de Nederpop ontplofte, maar de programmeur desondanks Doe Maar, Het Goede Doel en De Dijk bleef boycotten omdat ze nu eenmaal ‘te kommersjeel’ waren.

Omkleden achter een gordijn

Visser: „We waren altijd op zoek naar vernieuwing. Maar daarmee hebben we veel bezoekers weggejaagd.” En niet alleen het publiek bleef weg, zegt De Reede. „Heel veel acts wilden niet eens meer komen.” Door het gebrek aan een achteruitgang moesten bands na hun optreden loeizware versterkers dwars door de dansende massa sjouwen. Wie van de kleedkamer naar het podium wilde, moest langs buiten via een brandtrap naar beneden klimmen, waar onder het podium een piepkleine backstage wachtte. De Reedes meest gênante herinnering is de show van de Amerikaanse verkleedmetalband Gwar. „Die pasten met hun enorme schuimrubberen pakken niet door de deur van de backstage. Ze moesten zich op het podium omkleden, achter een gordijn.”

Die houtje-touwtje-mentaliteit is met de komst van Gebr. De Nobel definitief ‘begraven’, aldus Visser. Bovendien moest de gemeente worden overgehaald om de exploitatie van het nieuwe pand (kosten: 14 miljoen euro) aan de voormalige LVC-crew te gunnen. Daarbij horen opeens targets en een businessplan.

Gebr. De Nobel maakt nu deel uit van het zogeheten ‘cultuurkwartier’: waar de Leidse Schouwburg, Stadsgehoorzaal, cultureel centrum Scheltema en stedelijk museum De Lakenhal zich op kruipafstand van elkaar bevinden. „We moeten uitstraling geven aan de stad”, spreekt Visser de gemeenteambtenaren keurig na. Glimlachend: „I’m on a mission.” Dat houdt in: een breed publiek trekken en voldoende draagvlak vinden in de stad.

Hij geeft toe: dat was wel even een omslag voor iemand die ruim twintig jaar alleen naar ‘kids’ heeft geluisterd. „Rechts was toen net aan de macht, en vond cultuur een linkse hobby”, zegt Visser (vetkuif, lange puntbakkebaarden). „Dus ik dacht: ik ga al die PVV’ers en cultuurbarbaren gewoon opzoeken. Daarom ben ik in alle lokale businessclubs gaan zitten. Dat bleken heel erg okéje mensen te zijn.”

Niet te hard juichen

De nieuwe aanpak lijkt te werken. Aan de zaal zal het niet liggen: het interieur is een verademing vergeleken bij de eenheidsworst van steriele, zwarte gymzalen waarin de meeste concertzalen de laatste decennia zijn veranderd. Het ruikt er naar hout in plaats van naar rubber. De sfeer in de grote zaal (capaciteit: 750) blijft intiem door de dubbele balkons, die trapsgewijs zijn gebouwd en dus overal goed zicht garanderen. Nog belangrijker: het geluid is uitstekend, ook in de kleine zaal (200).

„Magisch”, noemt De Reede het. „Ik heb echt helemaal niks met Blaudzun. Maar toen hij hier stond, werd ik echt geraakt. Ik dacht: ‘Jezus, wat is dit?’ Kennelijk kan deze zaal dat.”

„We zien veel nieuwe gezichten”, zegt Visser. Sinds de opening in december staat de teller op 17.000 bezoekers. De doelstelling van 70 duizend per jaar lijkt dus makkelijk te worden gehaald. „Niet te hard juichen”, zegt De Reede. „De zomer is een hele moeilijke tijd en de openingsmaand had wellicht extra aantrekkingskracht.”

De kleedkamer is een wevershuisje

Bovendien had het beter gekund. „Door de uitgestelde openingsdatum visten we bij de clubtours van Typhoon, Dotan en Kensington achter het net. Dat zijn drie risicoloze avonden waarvan je zeker weet dat ze uitverkopen.” Daarnaast blijft de concurrentie met grotere zalen van Den Haag (Paard) en Haarlem (Patronaat) een punt van zorg. „Buitenlandse bands willen sowieso in Amsterdam staan. En omdat ze vaak meeliften met de kaartverkoop, kiezen ze daarna eerder voor hen.” Visser overweegt daarom om de capaciteit op te schroeven. „Van de brandweer mag hier duizend man naar binnen.”

Bij boekingskantoren en bands – ook voormalig LVC-afhakers – begint dat de zaal ‘zichzelf te verkopen’, merkt De Reede: „De mond-tot-mondreclame werkt. Iedereen moet in een warm bad terechtkomen. Hoe meer we ze verwennen, hoe beter ze spelen.” Visser is vooral trots op wat hij noemt: de ‘Mary Servaes dressing room’. De Zangeres zonder Naam zou zich ook zeker hebben thuisgevoeld in de kleedkamer die is omgebouwd tot een negentiende-eeuws wevershuisje, inclusief kitschkleedjes en vintage lampenkappen.

„Dit is de beste backstage ooit”, zegt DeWolff in koor als ze na hun show samen in het bankstel ploffen. Vergeleken bij eerdere LVC-shows is dit een viersterrenhotel, zegt Robin Piso. „Ik weet nog hoe we daar bezweet over die brandtrap liepen terwijl het sneeuwde.” Pablo van der Poel: „Mijn favoriete flipperkast staat hier gewoon.” Broer Luka: „En we hebben heerlijk gegeten. Boerenkool!” Pablo: „Dat was een dikke zeven.” Luka. „Met een achtenhalf voor de worst.”