Ik wilde de brokstukken weer tot een geheel maken

In 2013 kreeg de Vlaamse dichter en schrijver een bijna fataal auto-ongeluk. ‘Het wonder van het overleven maakt euforisch’.

Peter Verhelst: ‘In vroeger werk woekerde de taal over de werkelijke thematiek heen, dat was de angst voor kwetsbaarheid, de angst voor er niet meer zijn’ Foto Katrijn van Giel

Drie keer sloeg zijn auto over de kop, getroffen op de snelweg naar Brussel door het losgesprongen wiel van een vrachtwagen. De Vlaamse dichter en romanschrijver Peter Verhelst (1962) leefde „drie seconden in een andere wereld, het rijk van de voorgoed vermisten of verdwenen mensen”, zoals hij het noemt.

Daarna kwam hij weer terug in de echte wereld, „alsof zijn schaduw hem terugvond”. In zijn imposante roman De kunst van het crashen maakt Verhelst de lezer getuige van deze bijna-doodervaring. Dat hij overleefde, is een wonder. Verhelst ontving vorige maand de Herman De Coninckprijs voor zijn dichtbundel Wij totale vlam. Begin maart wijdt Theater aan het Spui in Den Haag het festival Verhelst XL aan de auteur. En dan gaat ook zijn nieuwe toneelstuk Hotel Malaria in première.

De kunst van het crashen begint met een kort, klinisch verslag van drie bladzijden over het ongeval op 23 april 2013, 12.20 u. Daarna waaiert het boek uiteen in verschillende verhaallijnen. Essays over het schilderwerk van Francis Bacon en de Vlaamse primitieven staan naast de belevenissen van een man die in de jungle de enige overlevende is van een vliegtuigramp. Vanwaar die vele lijnen? Een gesprek met Verhelst in een repetitielokaal van zijn toneelgezelschap NTGent in Gent.

Waarom koos u voor een vorm waarin sprookje, visioen, autobiografie en droom samenkomen?

„Een ongeluk is ook een banaal iets, daarover wilde ik het juist niet hebben. Ik stel de lezer in het voorwoord op de hoogte van wat er is gebeurd, dan is dat af. Tijdens de inhaalmanoeuvre zag ik vanuit mijn ooghoek een wiel van de vrachtwagen loskomen. Daarna volgde de klap. Opeens schoof het dak van mijn auto over het asfalt en verwachtte ik elk moment dat de vrachtwagen over me heen zou denderen.

„Vanaf dat moment wisselt de tijd van gedaante. Al snel na het ongeluk wist ik dat dit de roman zou worden over de tijd die zich opsplitst. Seconden duren uren en jaren ballen zich samen tot milliseconden. Daarover wilde ik het hebben. En ook over brokstukken van een auto die ik al schrijvend opnieuw tot een geheel wilde maken en verhaalflarden die een vloeiende vertelling wensen te worden. Er zijn drie seconden uit mijn geheugen verdwenen.”

Uw boek is euforisch en zelfs lyrisch van toon, terwijl de aanleiding angstwekkend is.

„Het wonder van het overleven maakt euforisch. Het absoluut kille geweld waarmee zo’n tollend wiel je auto treft, is choquerend. Alsof een meteoriet uit de hemel precies op jouw kop valt. De onverwoestbare kooi van de wagen heeft me gered. De airbag vouwde zich open en ik herinner me, al crashend, dat ik me verbaasde over de ongelooflijke witheid van de airbag en hoe de vezels in kleine v’s zijn geweven. Hoe prachtig zuiver en sterk dat is.

„Je lichaam wil de vertrouwde handelingen verrichten, dus ik zocht mijn mobiele telefoon. Die hing boven me, logisch, want ik lag ondersteboven. De wereld was gekanteld. Ik hoorde iemand aan komen lopen, ik dacht: ‘Hij moet me uitsnijden, hij verwacht alleen maar confiture te vinden.’ Het eerste wat hij zei was: ‘Het kan niet dat je nog leeft. Je bent drie keer over de kop gegaan, drie keer.’ Ik zat op de vangrail en na enige tijd kwam de reële tijd weer op mijn knieën zitten. Het is als een jetlag: je lichaam is wel ergens aanbeland, maar je ziel of hoe je het wilt noemen is nog elders, ver weg, in een andere tijdzone.”

U schrijft dat de roman een ‘ode is aan de plekken en de tijd waar ik tijdens het ongeval een glimp van opving’. Die plekken bevinden zich volgens uw boek op Sandy Island, een spookeiland in de oceaan bij Australië dat op oude zeekaarten stond maar uiteindelijk niet blijkt te bestaan. De Nederlandse kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra heeft dat imaginaire eiland geschilderd, u heeft het beschreven. Wat betekent Sandy Island voor u?

„Het waren walvisjagers van vroeger die dachten dat ze een eiland zagen. Ze tekenden het op de kaart. Misschien zagen ze wel de rug van een walvis, begroeid met schelpen en wieren. Australische onderzoekers deden peilingen om het op Google Maps te kunnen zetten, met coördinaten en al. Maar ze troffen slechts een oneindige diepte aan.

„Voor mij staat Sandy Island symbool voor de tussenwereld waarin ik me bevond. Ik ben ergens geweest waar alleen de vermisten zijn, en ik ben eruit teruggekomen. In mijn boek schep ik het personage Raoul. Hij is de enige overlevende van een vliegtuigcrash in de jungle. Eerst neemt paniek bezit van hem, geleidelijk past hij zich aan de jungle aan en wordt een junglemens die leeft als de dieren in het woud. Zijn ogen worden als die van een kat. De buitenwereld heeft hem als vermist opgegeven, maar hij bestaat nog.

„Ik bedacht me dat er zoiets moet zijn als een universum van vermiste mensen en voorwerpen. Als iemand vermist wordt, kan hij altijd terugkeren. Dat maakt vermist zijn zo tragisch en hoopgevend tegelijk. Of denk eens aan de meisjes die verdwenen in Panama. Ze zijn weg, en toch kan er een mirakel gebeuren.

„Sandy Island is de mooiste plek die ik ken, omdat die niet bestaat. En toch ben ik er geweest en heb het gezien, net als die walvisvaarders. Het is een besmettelijke en zelfs verslavende plek, die alsmaar lokt. Want op dat eiland kun je totaal verdwijnen. Toen ik Sandy Island via een artikel in The Guardian op het spoor kwam, wist ik meteen: dat is het ultieme symbool voor het gemis.

„Als ik schrijf ben ik een open zenuw, een lijmstok: op een gegeven moment toets je alles op bruikbaarheid. Het schilderwerk van Bacon bijvoorbeeld met de verwrongen lichamen. Ook dat hij de schilderijen die in de puinhoop van zijn atelier verloren raakten Abandoned Paintings noemt, Verdwenen Schilderijen. Die krijgen uiteraard een eervolle plek in mijn boek.”

Uw proza en poëzie zijn sensitief, met lange zinnen vol waarnemingen en associaties. Schrijft u als in een roes?

„Nee, het is eerder een vorm van opperste concentratie, van zoeken naar samenhang. Wat mij aan het ongeval zo verbaast is dat een vrachtwagen op een ochtend vertrekt uit Frankrijk. Dat ik diezelfde ochtend vertrek uit Brugge. En dat op het moment dat de losgeslagen band mijn auto treft, er twee verschillende werelden samenkomen. Je hoopt altijd dat er een engeltje in je hersenen zit dat in staat is voor jou, als je schrijft, alle uiteenlopende gebeurtenissen samen te brengen. Neem bijvoorbeeld mijn sokken: altijd als ik een was heb gedraaid, blijkt er een sok te missen. Ik roep mijn vriendin en kinderen erbij en we kijken heel ernstig: ‘Er is een sok weg’. Ergens moet zich een universum bevinden voor verloren sokken, een Sandy Island van de sok.”

Duurde het lang voordat u aan dit boek kon beginnen?

„Ik heb ruim een jaar gewacht, en schreef het in augustus en september vorig jaar. In één trek. Een schrijver moet beschikken over op zijn minst twee vaardigheden: wachten en kijken. Ik heb eerst lang gewacht. Voordat ik eraan begon ben ik gaan kijken, en ik reis om te kijken. Eens per jaar kom ik in Zuid-Afrika. De overweldigende natuur daar, de zonsondergangen, het licht. Ik ga naar buiten met mijn laptop en schrijf alles op. Dat kwam terecht in het jungleverhaal in dit boek. Of ik ga naar luchthavens en zie hoe de mensen van de ene tijdzone aankomen in een andere. De vreugde die familieleden of geliefden uitstralen bij het weerzien. Maar ook het tegenovergestelde lees ik van gezichten, zoals: ‘Waarom is dat toestel met hem of haar erin niet neergestort?’”

U bent behalve romanschrijver en dichter ook toneelschrijver en regisseur bij het gezelschap NTGent. U werkt samen met choreografen, beeldhouwers, filmers, beeldend kunstenaars. Wat is uw drijfveer?

„Voordat ik schrijver werd, wilde ik schilder worden. Ik groeide op in Brugge, in de achtertuin van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden. Als scholier mocht je zelfs met een loep naar de schilderijen kijken, naar de gloed van de draperieën. Ik leerde er op een zintuiglijke manier kijken. Daarom begint De kunst van het crashen met deze Raoul die schildert naar levend naaktmodel. Alleen door intens te leren kijken kan hij vasthouden wat vergankelijk is, zoals het menselijk lichaam.

„Met deze kunstenaars omring ik me als met een familie. Ik heb een ontroostbaar verlangen naar aanwezigheid, naar aanwezig zijn in een wereld die zo vluchtig is. Schrijven, regisseren of beeldende kunst maken beschouw ik als een vitale vorm van zijn, van iets maken. Dat komt voort uit gemis. Een regisseur schept met taal, acteurs en toeschouwers een nieuwe wereld in een bepaalde ruimte. Het is alsof daar een gezamenlijke snaar tot trilling komt. Toneelspelers zijn mijn eerste en meest ideale lezers. Tijdens repetities leer ik van hen veel weg te laten in de tekst, ik denk aldoor delete, delete. In mijn vroegere werk woekerde de taal over de werkelijke thematiek heen, dat was de angst voor kwetsbaarheid, de angst om verwondingen op te lopen, voor er niet meer zijn. Na voltooiing van De kunst van het crashen durf ik juist die gevoelige plek oprechter te tonen.”