‘Hogere inkomens hebben geen pensioenpaternalisme nodig’

In Nederland is een economie van winnaars en verliezers ontstaan, aldus directielid van DNB

Illustratie David Gall

We sparen te veel én we lenen te veel. Dat concludeert De Nederlandsche Bank in een studie die vandaag is gepubliceerd. Nederlanders hebben in de afgelopen decennia hun vermogen fors zien stijgen. Pensioenbesparingen liepen op, de huizenprijzen stegen en de beurzen deden het over de lange termijn goed. Maar burgers hebben tegelijkertijd ook steeds meer geleend. Ons netto-vermogen wijkt niet veel af van wat er in andere Westerse landen gebruikelijk is. Maar vooral omdat huizen genereus met hypotheken gefinancierd zijn, is ons bruto vermogen enorm vergeleken met elders. En onze leningen zijn ook zeer omvangrijk. Veel bezit, maar ook veel krediet: de balans van Nederlandse huishoudens is veel te groot geworden.

Dat geeft ons land opvallende karakteristieken. Job Swank, directeur Monetaire zaken en Financiële stabiliteit van De Nederlandsche Bank, somt ze op. „We hebben relatief de hoogste hypotheekschulden van alle Westerse landen, maar ook de grootste pensioenbesparingen. We hebben de grootste collectieve zorgconsumptie, namelijk 80 procent van de totale zorgconsumptie. We hebben een sterk vergrijzende bevolking, maar ook de laagste armoede onder ouderen. Die is lager dan de armoede onder jongeren. En we hebben relatief de grootste sociale huurmarkt én dus ook de kleinste vrije huurmarkt.”

Nederland is, kortom, een land dat goed voor zijn inwoners zorgt en de oude dag prima heeft geregeld. En dat, zo zegt Swank, goede sociale vangnetten heeft waardoor er relatief weinig arbeidsonrust is. Maar al dat gespaar heeft ook nadelen, zegt hij. „Huishoudens zijn erg kwetsbaar voor schommelingen op de financiële markten en op de huizenmarkt. Dat treft vooral de generatie die het het drukst heeft: dertigers die kinderen krijgen en nét een huis hebben gekocht. Zij hebben weinig financiële buffers. Als het tegenzit, dan kunnen ze nergens op interen en gaat de tegenslag direct ten koste van het inkomen.” Zij geven daardoor meteen minder uit, waardoor de economie lijdt onder de verminderde consumptieve bestedingen. Bovendien hebben de pensioenfondsen eveneens last van schommelingen op de financiële markten. Als het daar tegenzit, dan moeten de premies omhoog. Zoals de premies omlaag gingen toen in de jaren negentig de financiële markten en de economie juist mee zaten.

Overwaarde

Dergelijke kenmerken worden pro-cyclisch genoemd: ze versterken de conjunctuur als deze omlaag gaat, en stuwen hem juist extra op als het mee zit.

Langzamerhand is er, door de unieke kenmerken van de Nederlandse vermogensopbouw, een economie van winnaars en verliezers ontstaan. Wie op tijd was om de huizenhoge stijging van de woningprijzen vanaf begin jaren negentig mee te maken, heeft nu forse overwaarde. Recente kopers, zo’n 1 miljoen huishoudens eind 2013, staan na de forse daling van de huizenprijzen onder water. Veel babyboomers die net met pensioen zijn, profiteerden nog van de ruime pensioenvoorwaarden. De huidige werkenden kunnen die veel minder tegemoet zien.

Daar bovenop is er een kenmerk van Nederland dat De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de banken dwars zit. Banken verstrekken in Nederland relatief zeer hoge hypotheken, zegt Swank. In andere landen krijgen ze daar spaargeld van het publiek voor terug, in de vorm van deposito’s. Maar omdat de meeste Nederlanders pensioensparen, sparen zij zelf minder. Dat betekent dat er een groot gat zit tussen wat banken uitlenen, en wat ze aan spaargeld binnenkrijgen. Het ontbrekende deel lenen Nederlandse banken op de financiële markten. Deze ‘funding’ is veel minder zeker: bij een financiële crisis, zoals die in 2008 en daarna, zijn Nederlandse banken aangewezen op een financiële markt die minder goed functioneert en waarin geld plots veel duurder is. Dat maakt ze kwetsbaar.

Onevenwichtigheden

De Nederlandsche Bank formuleert nu een aantal ideeën om het maximale sparen én het maximale lenen van Nederlandse huishoudens te verminderen en onevenwichtigheden tussen de generaties rechter te trekken. Het zijn gedachten, onderstreept Swank, die in samenhang met elkaar moeten worden gezien.

Allereerst is de huidige verplichting tot volledige aflossing van de hypotheek. Die dreigt nu te leiden tot nóg meer besparingen. Beter is het die verplichting te verminderen, terwijl aan de andere kant de belastingaftrek van de hypotheekrente wordt afgebouwd. Het eigen huis wordt zo een ‘normaler’ bestanddeel van het vermogen, stelt Swank, en moet dan ook verhuizen naar de zogenoemde Box 3 bij de belastingaangifte. De ontwikkeling van een veel grotere vrije huursector dan nu, moet het normaler maken om te huren in plaats van te kopen. Tegelijk wordt zo het ‘scheefwonen’ ook aangepakt.

Bij pensioenen is ook veel mogelijk. „Het paternalisme kan minder”, zegt Swank. De verplichting tot pensioensparen zou kunnen afnemen met de hoogte van het inkomen. „Wie meer dan 60.000 euro per jaar verdient, moet in staat zijn, en worden gesteld, om zelf te bepalen hoeveel er wordt weggezet voor de oude dag.”

Daarmee hangt volgens hem een afschaffing van de ‘doorsneepremie’ op pensioenen samen, waar iedereen nu dezelfde premie betaalt terwijl jongere generaties daar bij aanvang veel minder pensioenrechten aan ontlenen dan oudere. Dat is niet alleen goed voor de dertigers in de knel. „Als je die doorsneepremie ‘actuarieel fair’ maakt”, zegt Swank, „dan zou een starter op de arbeidsmarkt veel minder premie betalen. Dat is goed voor de economie, omdat er door deze groep meer besteed wordt.”