Heerlijk, die nylonkousen en die jarretels

Hij stelde het uit: het laatste, liefdevolle saluut aan zijn moeder. Ze breide en borduurde, was streng in de leer, mokte over zijn vader, onthield haar zoon bijna de HBS, maar geen kwaad woord over Mevrouw ‘t Hart.

Tekening Paul van der Steen

De moeder van Maarten ’t Hart stierf in de zomer van 2012 op 92-jarige leeftijd. Omdat hij had beloofd haar te zullen ‘sparen’ tijdens haar leven, kwam hij onlangs pas met het boek dat hij al veel eerder over haar had willen schrijven. Een laatste saluut aan zijn moeder, van wie hij ‘zielsveel’ hield. ‘Een mens’, zo schrijft hij in Magdalena, ‘wil geen kwaad woord […] horen over zijn moeder. Die is immers heilig.’

Ze was geduldig, zachtmoedig en zorgzaam, zo lezen we meer dan eens over moeder Lena. Dag en nacht stond ze klaar voor haar man en drie kinderen. Ze was slim en zuinig en deed het huishouden ‘vlug als een vlo’. Ze naaide, breide, haakte en borduurde als een bezetene en altijd had ze wel wat om handen. ‘Het vieze jaren-vijftig eten van mijn moeder’ dat in Het dovemansoren-diëet (2007) nog uitgebreid ter sprake kwam (tot snot gekookte andijvie, plakkerige rijstebrij en beschimmelde broodpap) blijft hier buiten beschouwing. Dat was al behandeld, zou je kunnen zeggen, en ’t Hart wilde deze keer liever haar goede eigenschappen als moeder-de-vrouw met ons doornemen.

En toch ligt het woord ‘maar’ steeds op de loer, vanaf de eerste bladzij van dit springerige, spannende boek met zijn wonderlijke anekdotes en verhalen. Hoe aardig was moeder nu eigenlijk? Op het omslag zien we Lena als meisje van een jaar of acht. Met een duistere, wantrouwige blik kijkt ze vanonder haar witte hoedje de wereld in. Anders dan haar moeder, oma Van der Giessen, die, aldus ’t Hart ‘van een ongeëvenaarde hartelijkheid’ zou zijn geweest, komt moeder Lena in dit boek naar voren als een gereserveerde dame die je vooral niet te na moest komen. Ze was niet alleen bang voor alle dieren, klein en groot, maar had ook weinig op met de meeste mensen, inclusief haar eigen ouders, broers en zussen. Haar eigen kinderen had ze lief, maar ze raakte ze niet aan. Of zij, na de geboorte van Maarten, geleden heeft aan een ‘pastorale depressie’, zoals een buurvrouw het noemde, blijft hier in het midden. Duidelijk wordt wel dat zij geen prettige herinneringen had aan haar eerste bevalling – en dat zij de eerste maanden bepaald niet genoot van de aanblik van ‘het gedrocht’ dat zij had gebaard, zoals ’t Hart monter meldt.

Circus van Bever

Ook haar geloofsijver (synodaal gereformeerd) stond de gezelligheid in huis nog wel eens in de weg. Toen Circus van Bever in Maassluis zijn tenten opsloeg, wilden man en kinderen dolgraag een voorstelling bijwonen. Maar van Lena mocht het niet. Circusbezoek was ijdel vermaak – hooguit geschikt voor ‘hervormden op grote wielen’ die het niet zo nauw namen met de religieuze voorschriften.

Ook deed ze verwoede pogingen om te verhinderen dat Maarten, toch al zo bijdehand, na de lagere school naar de HBS in Vlaardingen zou gaan. Hij zou er maar ‘groos’ van worden, en daardoor ongeschikt als gelovige. Er moesten verschillende meesters aan te pas komen om haar van haar ongelijk te overtuigen.

Daarna brak voor hem het walhalla aan: ‘Ik vertoefde daar in de schoolbanken als een forel in een zuurstofrijke, zonnige bergbeek.’ Hij neemt het zijn moeder ook achteraf niet kwalijk dat zij zich jarenlang verzette tegen het ‘doorleren’. Dat was nu eenmaal hoe zij er, als oprechte gelovige, tegenaan keek.

Wat hij haar wél kwalijk neemt, en naarmate het boek vordert eigenlijk steeds meer, is haar achterdocht. Zij maakte haar man, en indirect ook haar kinderen, het leven zuur met haar ziekelijke jaloezie. Zij meende dat hij in de kerk, bij het biljarten, en tijdens zijn werk op de begraafplaats, elke gelegenheid aangreep om te lonken naar en te vozen met allerlei ‘mokkels’. En dat terwijl vader ’t Hart, volgens Maarten, helemaal niet zou hebben getaald naar andere vrouwen.

Harde klappen

Veel ellende dus: de jaloezie en de geloofsijver van moeder, de woede-uitbarstingen en de harde klappen van vader en de algehele benepenheid van de jaren vijftig. Maar Maarten ’t Hart weet er op zijn zeventigste nog altijd bijzonder aanstekelijk over te schrijven: opgeruimd en vol levenslust.

Er rijst van zijn moeder niet zo’n geweldig sympathiek portret op, maar ’t Hart weet wel duidelijk te maken waarop zijn liefde voor haar is gebaseerd: op die mooie beginjaren waarin hij haar, als oudste, nog voor zichzelf had. ‘Ach, die gouden jaren van bijna volledige symbiose.’ Hij observeerde haar als peuter als ze zich in de teil ging wassen en zich daarna weer aankleedde. Vooral het behoedzame optrekken van haar nylonkousen en het vastmaken van de jarretels waren voor hem onvergetelijke momenten.

Hij verafgoodde zijn moeder zozeer dat hij, net als zij, wilde kunnen breien, haken en borduren. Na veel aandringen bracht ze hem het een en ander bij, zodat hij, als 4-jarige, ‘hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt’, zijn eerste zelfgebreide borstrokje voltooide. Dat klinkt inderdaad niet erg aannemelijk, zo’n geavanceerd breiwerkje voor een kleuter, zeker niet in combinatie met het ongecontroleerde ADHD-gedrag dat hij naar eigen zeggen op die leeftijd vertoonde.

Er zitten wel meer vreemde plekken in dit boek. ’t Hart voert zichzelf hier op, niet voor het eerst en waarschijnlijk ook niet voor het laatst, als een uiterst kritische godsdienstwatcher. Als peuter al kon hij nijdig worden omdat hij liedjes moest zingen waarin hij als een zondaar werd afgeschilderd, terwijl hij niets had misdaan. Als puber dreef hij dominee Dercksen tot wanhoop met gedetailleerde metingen en berekeningen waarmee hij eens en voor al wilde aantonen dat de bijbelpassages over de Ark van Noach niet klopten. Toch zou het nog heel wat jaren duren voordat hij het geloof definitief vaarwel zei.

Het boek gaat, nadat in de voorgaande hoofdstukken flink wat stof is opgewaaid, een beetje als een nachtkaars uit. De beschrijving van de begrafenis van moeder is nogal lauw en emotieloos. Terwijl ’t Hart nog even de gelegenheid te baat neemt om eerst de Apostolische Geloofsbelijdenis en daarna het Onze Vader woord voor woord af te kraken en af te geven op ‘dat bizarre, hopeloze, zwaar overschatte, belabberde onzingebed’, blijft Magdalena, verschrompeld in haar kist, toch wat verweesd achter, met een net niet helemaal mooi rondgebreid portret.