Filosoferen is een vorm van proeven

Filosofen worden er in de media vaak bij gehaald om te vertellen ‘hoe het eigenlijk zit’. Maar die wijsheid hebben ze helemaal niet, betoogt Coen Simon.

Illustratie Tjarko van der Pol

Op een zondagavond in de zomer van 1996 voltooide ik mijn doctoraalscriptie wijsbegeerte. Op het nippertje, want de volgende ochtend zou ik beginnen met de opleiding tot filosofiedocent.

Nadat ik me maandenlang in eenzaamheid had gebogen over de betekenis van het begrip ‘niets’, mocht ik nu mijn enthousiasme voor het vak overbrengen aan een intimiderende schare brugklassers en pubers.

In een schoolboek dat ik de eerste week onder ogen kreeg, stond een cartoon over een schoolreisje filosofie. Op een vlakte waar in de verste verten niets te zien is, stappen leerlingen uit een schoolbus. „Dit ís het?”, vraagt een van hen verbouwereerd aan de leraar. „Yep”, is het antwoord, „we zijn er”. Ik moest hard lachen. Het verbeeldde precies hoe ik me voelde. Hoe kon je nu uitleggen wat filosoferen is, laat staan waarom we dat zouden moeten doen?

Tegen diezelfde machteloosheid liepen de Nederlandse opiniemakers aan die eind 2014 collectief in de bres sprongen voor de filosofie, nadat in korte tijd op twee universitaire filosofieopleidingen drastisch werd bezuinigd. In hun bevlogenheid het belang van filosofie te verdedigen, deden ze de filosofie ongewild tekort, als het morele kompas van wetenschap en economie.

Zo meenden twee columnisten in deze krant, Floor Rusman en Bas Heijne, dat de filosoof de ophanden zijnde robotisering van de samenleving in juiste banen kan leiden. Maxim Februari zag in NRC Handelsblad met de „uiterst koele, argumentatieve wetenschap” die wijsbegeerte volgens hem kan zijn, ook mogelijkheden om de machtige zorgverzekeraars moreel bij te sturen. En Rob Wijnberg omschreef filosofen op De Correspondent als degenen die nodig zijn om te „kunnen bedenken waar morgen behoefte aan zou moeten zijn”.

Ik wil niemand ontmoedigen die het voor de filosofie opneemt, maar deze behulpzaamheid vormde wel een heel gemakkelijk doelwit voor sceptische wetenschappers zoals bioloog Rosanne Hertzberger, die in deze krant terecht opmerkte dat je geen filosoof hoeft te zijn om een beetje kritisch na te denken over wat de technologie allemaal kan. Want natuurlijk leren ook andere vakken hoe je vooronderstellingen blootlegt, hoe je argumenteert en hoe je je op de toekomst voorbereidt.

Het kritische hulpje van de wetenschap

Desalniettemin vind ik ook dat filosofie een onafhankelijke plek moet hebben in het onderwijs, het liefst vanaf de basisschool, maar niet – na eeuwen dienstmaagd te zijn geweest van de religie – slechts als het kritische hulpje van onze wetenschap en kenniseconomie.

Al is het een dooddoener dat filosofie een verlangen naar wijsheid is, (van het Griekse philein = verlangen en sophia = wijsheid), toch worden filosofen behandeld alsof ze al over die zo begeerlijke wijsheid beschikken. Filosofen schuiven aan bij de talloze deskundigen die meedraaien in de meningencarrousel van de media, ze mogen zeggen ‘hoe het eigenlijk zit’ en ze mogen als een dominee zonder geloof hun laatste oordeel vellen over goed en kwaad.

En daarnaast wordt de wijsgeer dus verdedigd als een oude wijze die als enige in staat zou zijn de mens tussen de monomaan oprukkende technologie en de blinde macht van het geld door naar een veilige toekomst te loodsen. Maar die wijsheid en macht heeft de filosoof helemaal niet. Want wie verlangt naar wijsheid kan deze immers nog niet hebben.

Hoe vaak moeten we het adagium van Socrates nog uitleggen? Het enige dat de filosoof weet is dat hij niets weet. Hij verlangt te weten. En wat wil hij weten dan? Nou ja, wat ieder mens wil weten, maar niet onder woorden kan brengen. De filosoof stelt zogezegd de vragen die u nooit durfde te stellen, gewoon omdat er geen antwoorden op zijn.

Het zijn vragen over, jawel, de zin van het leven, over het ongewisse van de toekomst en het ongrijpbare van het verleden; over waar het bestaan zich bevindt en waarom er iets is en niet niets. Kwesties die je tijdens het koffiezetten best even naast je neer kunt leggen, maar het verlangen naar antwoorden blijft ons beheersen als een gemis.

Niets rekent af met de realiteit

De mens doet van alles om vat te krijgen op dit gemis, hij gelooft in goden, bedrijft wetenschap, heeft lief, sticht staten, schrijft geschiedenis, voert oorlogen, viert feesten en maakt muziek, maar zodra de avond valt voelt hij dat geen enkele voorstelling uiteindelijk afrekent met de onwerkelijkheid van de realiteit.

Het enige wat hem dan nog rest is de filosofische vraag. En dat is meer dan het lijkt.

Jean-François Lyotard wees een halve eeuw geleden zijn eerstejaars filosofiestudenten erop dat het kenmerkende van dit filosoferen al in het Griekse sophia en het Latijnse sapere tot uitdrukking komt: het betekent naast weten ook proeven. Filosoferen is een vorm van proeven. En wie proeft laat zich op gedoseerde wijze leiden door zijn verlangen: ‘We laten iets bij ons binnendringen, we vermengen ons ermee, en tegelijkertijd houden we het op afstand, om het te kunnen benoemen, te kunnen beoordelen.’

Daar komen philos en sophia samen, „in onze mond”, zegt Lyotard, „die ook de plaats van het spreken is.”

Niet het brein, maar de mond is de plek van de filosofie. We zijn zo gewend geraakt aan de neurowetenschappelijke voorstelling dat denken zich in het brein afspeelt dat we haast vergeten dat een gedachte pas in woorden aanspraak kan maken op waarheid. En daarom beproeft de filosoof zijn wijsheid in het spreken, het redeneren, in zijn mondigheid.

Die mondigheid moeten we oefenen, niet om uiteindelijk een antwoord op onze vragen te krijgen, maar om in het vragen te proeven aan de wonderlijke zin van het leven. En is dat dan ergens goed voor? Wat dénkt u zelf?