Eerst lullen, dan pas poetsen

Door de raad te passeren bij het opstellen van de integratienota doet wethouder Schneider (Integratie) de Rotterdamse politiek tekort, vindt John Bijl.

Illustratie Viola Lindner

Tumultueus, zo verloopt het eerste jaar in het Rotterdamse stadsbestuur na de verkiezingen. Politieke kloven, gekaapte wethoudersposten én een nauwelijks geheelde scheuring in de grootste coalitie-fractie bepaalden de agenda van Coolsingel-watchers. Toch, het echte dilemma van de Rotterdamse politiek is niet het gekonkel achter de schermen. Het échte gevaar in de Rotterdamse politiek is de integratienota. Het debat over hoe dat document tot stand komt, heeft het in zich de grootste belemmering van de politiek in de Maasstad te worden. Meer nog, dan wat er in staat.

Een document dat voor eens en altijd, of in ieder geval tot de volgende gemeenteraadsverkiezingen, een kader stelt voor hoe Rotterdam omgaat met haar kleurrijke samenleving, diverse culturele achtergronden en bewoners die misschien niet altijd een gedeelde ideologie hebben over de positie van de vrouw, homoseksualiteit en de plaats van religie in de stadse samenleving; om maar eens wat te noemen.

Dat er zo’n nota moest komen, kon je op de dag van de verkiezingen op je vingers natellen. Leefbaar, wier wethouder Schneider de portefeuille integratie beheert, had zich in de vorige raadsperiode vanuit de oppositiebanken steeds vaker uitgesproken tegen de integratiepolitiek van het vorige college. Meestal was het voor de Leefbaren niet genoeg.

Het mag een understatement zijn, dat met Charlie Hebdo, de uitspraken van Aboutaleb én zoiets als het deze week cancelen van een cartoonworkshop in Donner, het onderwerp ‘integratie’ prominenter op de politieke agenda is gekomen. Zeker in Rotterdam, waar de samenleving vol nissen zit – en radicalisering en uitblijven van integratie zich soms aan het zicht lijkt te onttrekken.

Maar hoe de nota tot stand komt, is met onwenselijke voorzichtigheid. De nota wordt eerst binnenskamers door voornamelijk de verantwoordlijk wethouder geschreven en daarna pas mogen de rest van de raad en de stad zich ermee bemoeien. Dat heeft al spaanders opgeleverd. Een eerste versie van de nota had een dermate hoog Leefbaar-gehalte dat er zelfs een lek naar de pers aan te pas moest komen om de achterban van wethouder Scheider tot andere gedachten te dwingen.

Ook tweede en volgende versies lijken weinig soepel tot stand te komen. Voor zover we weten. Er wordt vooral geheimzinnig gedaan waar de nota met de integratie heen gaat. Tot onvrede en frustratie van oppositiepartijen zoals PvdA, GroenLinks en uiteraard het nieuwe Nida, met een grote achterban in niet-Nederlands Rotterdam. Hun bezwaar, dat ze worden uitgesloten van het politieke debat, is terecht. „Geeft u maar commentaar als onze nota er is”, zoals Leefbaar-wethouder en voormalig lijsttrekker Joost Eerdmans het meldde. Zelfs de oproep van oud Leefbaar-wethouder Marianne van den Anker het debat eerst in de raad en de samenleving te voeren, brengt Leefbaar en de rest van de coalitie niet op andere gedachten.

Het is politiek van de omgekeerde wereld. De gemeenteraad is het hoogste orgaan van de stad. Dat betekent dat de vijfenveertig leden ervan met elkaar bepalen wat de toon is van het politieke debat in de samenleving en dus ook in de integratienota is. Die verantwoordelijkheid begint bij de basis: wat voor stad en samenleving willen we zijn en hoe gaan wij om met andersdenkenden? Ze behelst meer dan alleen commentaar kunnen geven in de kantlijn van een collegestuk, waar de raad door de wethouders toe wordt gemarginaliseerd.

Die aanpak is niet alleen ondemocratisch, maar leidt ook af. De felheid van het debat over de integratie gaat nu vooral over de manier waarop de nota tot stand moet komen. En niet over de integratie zelf. Op die manier wordt de publieke opinie met de rug naar de Rotterdamse politiek gezet. Het is juist voor een stad, waar constructieve meningsverschillen en opinievorming het laatste decennium op straat heeft gelegen, onwaardig.

Het resultaat van de halsstarrige voorzichtigheid en bewijsdrang van het huidige Rotterdamse college is voorspelbaar. De nota wordt door coalitiepartijen gesteund, door de oppositie afgewezen en zal geen fundament opleveren voor een volwassen integratiepolitiek. De la ervoor is vast al door D66 en CDA opengetrokken.

Op z’n minst is het dan te hopen dat het tumult van de integratienota niet de maat van de rest van de Rotterdamse politiek bepaalt. Als jeugdzorg, luchtvervuiling of bezuinigingen eerst door een eigengereide wethouder, dan door coalitieconcessies en pas daarna in het publieke debat wordt besproken, wordt het besturen voor het volk door het volk de stad ontnomen. Daadkracht daargelaten, is het noodzakelijk dat je in de politiek eerst debatteert en daarna aan de slag gaat. Ofwel: eerst lullen, dan weet je ook waar je met poetsen op uit moet komen.