Een verdwenen vrouw en een man met wroeging

‘We hebben schilderijen om het verstrijken van de tijd tegen te houden’, zegt een bankier in de nieuwe roman van Bernhard Schlink. Hij heeft ooit zijn vrouw laten schilderen, zodat zij jong zou blijven ‘en hij met haar’. Maar zij werd verliefd op de schilder en ging er met hem vandoor. De bankier restte alleen het schilderij van zijn vrouw die ‘naakt, bleek, blond’, ‘tegen een grijsgroene achtergrond van vage traptreden’, de kijker ‘met zwevende lichtheid’ tegemoet komt. Althans – voor zolang het duurde: met hulp van een eveneens op haar verliefde jurist ontvreemdde zij het schilderij, en verdween.

Deze vrouw, Irene, over wie we verder weinig te weten komen, vormt het hart van De vrouw op de trap. Het schilderij heeft veel weg van Ema. Akt auf einer Treppe van de Duitse beeldend kunstenaar Gerhard Richter. Een reproductie ervan stond tijdens het schrijven op Schlinks bureau, vertelde hij in een interview: ‘Kunst begeleidt ons, kunst kan onze treurigheid vormgeven’. Schlinks onderwerpen zijn vaker wat melancholiek, zelden opzienbarend. Zijn stijl is rustig verhalend, zijn werk bedachtzaam psychologisch zonder dat de psychologie er dik op ligt en de auteur houdt zich verre van het postmoderne literaire spel. Bijna iedere roman is onweerstaanbaar.

Veertig jaar nadat Irene is verdwenen, duikt het schilderij op in een galerie in Sydney. De drie mannen volgen afzonderlijk het spoor van het doek, in de hoop de vrouw terug te vinden: voor de een was ze muze, voor de ander bezit, voor de derde de grote liefde. Ze treffen haar op een Australisch eiland, eenzaam en terminaal ziek.

Het is de naamloze verteller, de jurist, die tot het einde bij haar blijft. Voor haar nam hij, decennia geleden, van alles en iedereen afscheid, om samen een nieuw leven te beginnen. Maar ze liet hem zitten, zoals ze ook de anderen liet vallen: haar echtgenoot, haar minnaar, haar dochter.

Het was de enige kans die de verteller ooit heeft gegrepen om een ander leven te starten. Sindsdien vraagt hij zich altijd als hij ‘in een vreemd land’ is af, of hij daar gelukkiger zou zijn. ‘Elk raam belooft tegelijkertijd vrijheid en geborgenheid, vrijheid van het oude en geborgenheid in een nieuw leven’ – een gedurfde overpeinzing voor een man die alleen geschiedenisboeken leest: ‘tragedies en komedies, geluk en pech, liefde en haat, vreugde en verdriet – de geschiedenis levert alles. Romans kunnen dat niet bieden.’

De verteller begeleidt Irene de laatste weken van haar leven, als alleen cocaïne nog verlichting brengt. ‘Eigenlijk zou iedereen het tijdstip waarop hij met werken ophoudt zelf moeten bepalen’, schrijft Schlink in een droog-rationeel terzijde, ‘vanaf dat moment zou de samenleving hem drie jaar moeten betalen wat hij voor een aangenaam leven nodig heeft. Daarna moet hij afscheid nemen van het leven, maar kan zelf bepalen hoe.’

In de gesprekken die de verteller met Irene voert ontdekt hij stapje voor stapje wat hij zijn hele leven niet heeft willen zien. Hoe komt het dat zijn moeder tegen een boom is gereden en dat zijn vrouw hetzelfde is overkomen? Waarom heeft hij de jeugd van zijn kinderen gemist? Waarom ziet hij ze eigenlijk nooit? Heeft hij zijn leven, gewijd aan het faciliteren van fusies van multinationals, wel goed besteed? Heeft hij als advocaat wel de juiste mensen verdedigd? Hij realiseert zich dat hij ‘zijn geordende leven’ ‘angstig heeft geleid’. Dat van Irene lijkt meer op ‘een vaas die op de grond is gevallen’. En zo filosofeert Schlink over het leven en het ouder worden. Oud zijn is niet erg, vindt de verteller, ‘ik benijd jongeren niet dat ze het leven nog voor zich hebben, ik wil het niet nog eens voor me hebben. Maar ik benijd hen dat het verleden dat achter hen ligt kort is’. Als je jong bent, is je verleden te overzien. Met het stijgen der jaren wordt dat allemaal een stuk lastiger – want dan wordt het tijd voor duiding.