Een dode gaan we dus niet berechten, zegt de rechtbank

Een jihadstrijder kan bij verstek worden veroordeeld. Maar wat als er serieuze aanwijzingen zijn dat hij dood is?

Is Soufian Z. nou dood of niet? En wie moet dat bewijzen? Voor die vraag zag de rechtbank Den Haag zich gisteren gesteld op een pro-formazitting in het grote proces tegen tien Haagse radicale moslims. Het Openbaar Ministerie (OM) vervolgt hen als ‘criminele organisatie met terroristisch oogmerk’.

Drie van de verdachten zijn vermoedelijk uitgereisd naar Syrië. Eén van hen, Soufian Z., zou zelfs dood zijn. Eind januari verschenen daarover berichten in het AD en op sociale media. Z., alias Abu Mohammed, alias The Fighting Journalist, zou zijn omgekomen bij een Amerikaanse luchtaanval op de Noord-Syrische stad Kobani.

Het OM wil hem blijven vervolgen zolang zijn dood niet onomstotelijk vaststaat. „We gaan ervan uit dat de verdachte nog leeft”, zei de officier van justitie gisteren in de extra beveiligde zittingszaal bij luchthaven Schiphol. Hij zag in de mediaberichten geen aanleiding voor uitgebreider onderzoek of Z. nog leeft. De rechtbank wil zulk onderzoek wel. „We willen niet het risico lopen op een spookproces”, zei voorzitter R. Elkerbout.

De zaak is nu aangehouden. Het OM doet nader onderzoek naar de vermeende dood van Z. Het is ook zomaar mogelijk dat hij zijn dood in scène heeft gezet, zoals de 27-jarige Imran K. uit het Engelse Hounslow deed. Die verspreidde vorige zomer vanuit Syrië geruchten op sociale media over zijn dood, in de hoop ongezien te kunnen terugkeren.

Zo’n opzetje mag je niet uitsluiten, stelde ook het Belgische OM in het proces tegen leden van de radicale groepering Sharia4Belgium. De rechter in Antwerpen deelde deze maand straffen tot 15 jaar uit voor deelname aan een terroristische organisatie. Van de 45 verdachten was maar een handjevol op de zitting. Van de rest werd aangenomen dat ze in Syrië aan het vechten waren. Een aantal van hen was volgens hun advocaten al omgekomen.

Dat gold ook voor Hoessein E. Diens advocaat, Abderrahim Lahlali, acht E.’s dood met foto’s en getuigenverklaringen afdoende bewezen. Het OM vond de kans juist groot dat alles in scène is gezet. De rechter ging in die redenering mee, en veroordeelde E. bij verstek tot 12 jaar cel. Lahlali: „Ik denk dat de rechters in Nederland zwaarder tillen aan de rechten van de verdediging. De Belgische rechters gaan erg mee in de angst voor terrorisme.”

De basisregel is hetzelfde in België en Nederland: een dode kan niet vervolgd worden. Als een verdachte overleden blijkt, moet de rechter het OM niet-ontvankelijk verklaren.

Dat een verdachte afwezig is, is geen probleem, zegt strafrechtadvocaat Sidney Smeets. Dat komt vaak voor. Dan moet het OM alleen bewijzen dat hij op de juiste manier is opgeroepen en kan de rechter hem bij verstek veroordelen. Maar als er serieuze aanwijzingen zijn dat hij dood is, ligt dat anders. Smeets trekt een parallel met getuigen die de verdediging van de rechter mag horen. Het komt regelmatig voor dat het OM zegt dat de getuige onvindbaar is. „En het komt ook vaak voor dat rechters dan zeggen: doe maar wat meer moeite om de getuige te vinden.”

In dit geval kan het OM bijvoorbeeld onderzoek doen naar de bronnen van het gerucht dat de verdachte dood is. Ook kan het contact opnemen met de dichtstbijzijnde diplomatieke liaisonofficier, die kan proberen plaatselijk meer inlichtingen te krijgen. „Dat is in dit geval natuurlijk niet eenvoudig, maar dan kan het OM tenminste zeggen: we hebben echt geprobeerd om te achterhalen of hij nog leeft.”

De inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de tien Haagse verdachten begint naar verwachting 7 september.