De vorst die wist wat God wilde

De Spaanse koning was geen monster of domme sukkel, maar eerder een intelligente workaholic die niet kon delegeren. En hij heeft ook zijn zoon niet vermoord. Geoffrey Parker maakt de balans op.

Koning Filips II van Spanje geschilderd in 1557 door Anthonis Mor Foto Monasterio de San Lorenzo, El Escorial in San Lorenzo de El Escorial

Op de ‘School met den Bijbel’ die ik eind jaren zestig bezocht werd hij misschien niet rechtstreeks met Adolf Hitler vergeleken, maar impliciet was duidelijk dat Filips II (1527-1598) nauwelijks een haar beter was geweest: een buitenlandse dictator die in zijn megalomane machtswellust de Nederlandse belangen verkwanselde, de bevolking onderdrukte en met nietsontziende terreur een abjecte ideologie wilde opleggen.

Het extreem negatieve imago van Filips II was overigens wijdverbreid, en hierbij werd graag herhaald wat de Amerikaanse historicus J.L. Motley in zijn meeslepende en populaire The Rise of the Dutch Republic (1855) had geschreven over zijn persoonlijkheid: een middelmatige intelligentie, pedant, achterbaks, doortrapt, wantrouwend, kleingeestig, bijgelovig, dweepziek, losbandig en wreed.

Dit beeld van Filips II was het kroonjuweel van de leyanda negra of ‘zwarte legende’, volgens welke de zestiende-eeuwse Spanjaarden buitengewoon bloeddorstig, wreed, fanatiek en intolerant waren geweest. Historici hebben deze extreem negatieve beeldvorming al lang geleden naar het rijk der fabelen verwezen, maar de reputatie van Filips is nog altijd beroerd. Sommige historici schoten ook enigszins door in hun poging Filips II te ‘rehabiliteren’.

In zijn in 1997 verschenen biografie Philip of Spain deed de Britse historicus Henry Kamen zo zijn best van Filips een normaal mens en verstandige vorst te maken, wiens falen alleen te wijten was aan gebrekkige communicatiemogelijkheden en intriges van anderen, dat je bijna het idee kreeg dat we te maken hadden met een braaf lid van D66, dat in de verkeerde eeuw was geboren. Zo werd het ene anachronisme, dat van de zestiende-eeuwse nazi, ingeruild voor het andere – iets wat je toch geen vooruitgang kunt noemen.

Veelgeprezen

Van anachronismen kun je Geoffrey Parker niet beschuldigen, wat er ongetwijfeld mee te maken heeft dat niemand zó thuis is in de geschiedenis van het vroeg moderne Spanje als deze Brits-Amerikaanse historicus. In 1978 publiceerde hij al een dunne biografie van Filips II, die twintig jaar later werd gevolgd door een veelgeprezen studie over diens streven zijn rijk te consolideren: The Grand Strategy of Philip II. Op basis van ongekende hoeveelheden archiefmateriaal – Filips II schreef tienduizenden brieven en ontving dagelijks talloze rapporten – publiceerde Parker in 2010 de 1.500 bladzijden tellende studie Felipe II: La biografia definitiva. Van dit monumentale werk heeft hij een handzame Engelstalige samenvatting gemaakt, waarin hij trouwens nog documenten heeft kunnen verwerken die pas in 2012 voor onderzoek zijn vrijgegeven.

De Filips II die Parker met trefzekere en overtuigende streken schildert was allesbehalve een monster of een domme sukkel, maar dat wil nog niet zeggen dat je erg vrolijk wordt van deze heerser over een even immens als disparaat wereldrijk. De kracht van zijn Imprudent King ligt vooral in het feit dat Parker uitgebreid aandacht besteedt aan de erfenis waarmee Filips werd opgezadeld, zijn persoonlijkheid en de rol van het toeval.

Van Karel V had Filips niet alleen de heerschappij over Spanje, koloniën in de Nieuwe Wereld, uitgebreide bezittingen in Italië en de ‘landen van herwaarts over’ (het voormalige Bourgondische rijk, waarvan de Lage Landen deel uitmaakten) geërfd, maar ook enorme schulden en een onverzoenlijke godsdienstpolitiek, die het aantal ‘ketters’ sterk had doen groeien. Bovendien werd hem van jongs af aan geleerd dat verworven bezittingen nooit mochten worden opgegeven, en dat het rijk door slimme huwelijken moest worden uitgebreid.

De eerste les droeg er toe bij dat Filips bijzonder inflexibel werd, en de catastrofale gevolgen van de tweede les manifesteerde zich duidelijk in zijn oudste zoon, Don Carlos (1545-1568). Deze was het enige kind uit het huwelijk van Filips met Maria Manuela van Portugal, die zowel aan vaders als moeders kant een volle nicht van hem was. Waar de meeste mensen acht overgrootouders en zestien betovergrootouders hebben, had Don Carlos er slechts vier en zes. Zijn ‘inteeltcoëfficiënt’ bedroeg 0.211, bijna even hoog als bij een kind van broer en zus of ouder en kind (0.25). Hierdoor was de kroonprins geestelijk zwak. Omdat hij een ongeleid projectiel was en het duidelijk werd dat hij Filips nooit kon opvolgen, liet deze hem in 1568 opsluiten. Dat Filips de kroonprins heeft laten vermoorden – zoals ook Willem van Oranje beweerde – is volgens Parker absoluut niet bewezen, al kwam Carlos’ vroege dood hem niet slecht uit.

Bombardement

Aangezien Filips zelf al over een inteeltcoëfficient van 0.123 beschikte, is het een godswonder dat hij tamelijk intelligent was. Hij was misschien geen hoogvlieger, maar hij compenseerde dit door altijd keihard te werken. Doordat hij zich met elk detail wilde bemoeien en niet kon delegeren, terwijl hij steeds blootstond aan een bombardement van brieven, verzoekschriften en rapporten, kreeg hij nooit echt greep op de gebeurtenissen en werden overwinningen altijd afgewisseld door nederlagen.

Anders dan Kamen legt Parker de verantwoordelijkheid hiervoor vooral bij Filips zelf, omdat hij met een andere stijl van regeren en een minder rigide houding veel succesvoller had kunnen zijn. Overigens tekent hij hierbij wel aan, dat Filips alle kenmerken vertoonde van iemand met een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, waarbij niet alleen de zwaar vervuilde genenpoel van de Habsburgers, maar ook de uiterst strenge en veeleisende opvoeding die hij genoten had een rol zal hebben gespeeld.

Als Filips meer had geluisterd naar zijn adviseurs, zijn medewerkers meer ruimte had gegeven, en minder had geloofd dat hij precies wist wat God wilde, had hij de landen waarover hij heerste veel geld en bloed kunnen besparen. Daarnaast laat Parker echter zien dat hij ook vaak pech had. Zo is het aannemelijk dat als zijn tweede vrouw, de Engelse koningin Mary Tudor, niet al op 42-jarige leeftijd was overleden, Engeland katholiek was gebleven en Spanje één geduchte vijand minder had gehad. Wel laat Parker er geen misverstand over bestaan dat toen Filips in 1598 stierf, veel onderdanen een zucht van verlichting slaakten. Velen waren immers tot de conclusie gekomen dat hij een onverstandige, niet echt voor zijn taak berekende vorst was geweest.