De mieren en hyena’s in de Londense City

Als een antropoloog trok Joris Luyendijk door de Londense bankwereld. Hij sprak er tandenknarsers, koele kikkers en darwinistische financiers. Van binnenuit is geen verandering te verwachten. En de toppen van de banken hebben geen idee.

Foto Thinkstock

Een lege cockpit. Zo ziet de wereldregering er uit die nodig is maar ontbreekt om de hervorming van de financiële sector af te dwingen waar nationale regeringen en internationale organisaties niet toe in staat zijn. We vliegen met z’n allen op grote hoogte en niemand zit aan het stuur.

Dat is de conclusie van Joris Luyendijk in Dit kan niet waar zijn, dat hij schreef nadat hij tweeëneenhalf jaar als antropoloog de Londense City had verkend en steeds dieper was doorgedrongen in de financiële wereld. Hij kwam tot de overtuiging dat in 2008 sprake was van een bijna-crisis. De echte kan ieder moment uitbreken, zonder enige zekerheid of waarschijnlijkheid dat het weer goed afloopt.

‘De financiële wereld heeft op de crisis gereageerd zoals een motorrijder op een bijna-ongeluk. […] Als je mensen op het hoogtepunt van de crisis had verteld dat er nu nul fundamentele hervormingen waren doorgevoerd, had niemand je geloofd.’

De financieel specialist, tot voor kort werkzaam bij een kleine kredietbeoordelaar, kan er nog boos en ontdaan van worden als hij Joris Luyendijk over zijn ervaringen vertelt tijdens de zogenaamde financiële crisis van 2008.

Het boek dat voortkwam uit zijn banking blog voor The Guardian, dat ook wekelijks in deze krant verscheen, leest als het verslag van een nazaat van de cultureel antropoloog Margaret Mead die veldwerk deed in Samoa. Ook Luyendijk trok de jungle in. Regels van geheimhouding en kameraadschap uit tijdelijk gedeeld eigenbelang waren de lianen die zijn oerwoud soms ondoordringbaar maakten.

De publicatie van portretten steeds dichter bij het vuur lokten weer andere junglebewoners uit zich ook te melden voor een gesprek op basis van anonimiteit. Zo kwam de antropoloog tot verschillende indelingen van het financiële dierenrijk. Eerst sorteerde hij de bewoners langs lijnen van macht en aanzien.

Dominant in het front office zijn de zakenbankiers, de genadeloze handelaren en dealmakers die groot geld verdienen voor hun bank, en het ook bij miljoenen of miljarden kunnen verliezen. Zij zien zichzelf als wolven, tijgers en hyena’s, de bouwers van complexe financiële producten als ‘velociraptors’, snelle vleesetende dinosaurussen. Stillere bewoners van het front office zijn de vermogensbeheerders, net schildpadden die niet jagen en een lang leven is beschoren.

Springbokken

Vergeleken daarmee weinig opvallend en minder belangrijk zijn de back-office-medewerkers. Zij zorgen dat het front office z’n werk kan doen, zij zijn met veel en ontmoeten nooit een klant, dus hoeven ook geen imponeerkleding te dragen. Zij beschrijven zichzelf als mieren, springbokken en bevers. Daartussen heb je het middle office, waar het (weinig populaire) interne toezicht wordt uitgeoefend door de waakhonden van risk & compliance – zij blaffen en worden geschopt.

Anders dan hij verwachtte trof de financieel antropoloog geen burchten vol graaiers, egomanen en duivels aan. Wel mensen die met wisselend plezier terecht waren gekomen in een systeem dat hoge succespremies en een permanente ontslagdreiging afwisselt met kameraadschap en intellectuele uitdagingen.

Naarmate Luyendijk er achter kwam dat er voornamelijk normale mensen werken, vroeg hij zich meer af hoe zij het uithouden in de City. Hij identificeerde een aantal mensentypen. De Tandenknarsers hebben meegemaakt hoe de zakenbankiers tijdens de crash van 2008 speculeerden met spaargeld uit de consumententak van hun bank. Zijn die banken sindsdien gesplitst, zoals alom werd gesuggereerd? Niet echt, stellen zij bitter vast, hoogstens is er schrikdraad tussen de afdelingen gekomen.

Luyendijk had als zedenverkenner in de City het meest aan de Neutralen, bankmensen die het allemaal zien en weten, en de heersende roekeloosheid niet goedkeuren, maar een rationele verklaring hebben gevonden waarom zij blijven. Zij kunnen de bank in hun eentje toch niet hervormen, zij overtreden de wet niet, zij genieten van het salaris en verlangen geen bewondering van buitenstaanders. Doordat zij weinig tijd aan verontwaardiging besteden, bleken zij goede feitelijke informanten. Vooral met de verhalen van dit soort waarnemers completeert Luyendijk zijn beeld van de darwiniaanse financiële jungle. Kenmerkend is het complete gebrek aan ontslagbescherming. Bij veel banken wordt de minst productieve vijf procent vóór de jaarwisseling van de ene op de andere dag op straat gezet. Zodra het ontslag is aangezegd mag de ‘geëxecuteerde’ niet meer naar zijn kamer, collega’s moeten zijn jas buiten komen brengen, zijn bedrijfstelefoon en email zijn geblokkeerd – hij zou klanten of ex-collega’s nare dingen vertellen.

Adrenaline

Omzet, winst, steeds ingewikkelder financiële producten, de kick van die weer grotere deal, dat zijn de adrenaline opwekkende begrippen. Loyaliteit aan de bank of de collega’s kan niet worden verwacht van mensen die er morgen misschien uit vliegen. Dat geldt ook voor de hoogste bazen, alleen zijn hun tekengeld en bonus hoger.

Tekenend voor de categorie kritische blijvers (zolang het duurt) was de man van ‘interne controle’ die zijn werk goed wilde doen, en wist dat de bank hem dat onmogelijk maakte juist als het nodig was. Waarom ging hij dan niet weg? ‘Wat ga ik doen, op mijn eenenveertigste? Ik heb een hypotheek, kinderen… Waar is buiten de bank vraag naar wat ik kan?’

Een bijkomende reden om het uit te houden in de bankjungle is de Britse onderwijstweedeling: veel hooggeschoolde werknemers sturen hun kinderen naar de gewilde privé scholen die weer toegang geven tot de betere universiteiten. Die kosten tienduizenden ponden per jaar. Zonder banksalaris is dat schoolgeld niet op te brengen.

In het hart van de woest winstgevende bankoperaties staat het mensensoort dat door Tom Wolfe in zijn Bonfire of the Vanities is gedoopt tot Master of the Universe. Die doen deals om te scoren, zij werken in bijna tribale groepsvormen vol grenzeloze ambitie. Work hard, play hard. Hun privéleven is een stelpost. Zij zijn uiterst gevoelig voor sociale controle en oefenen immense druk uit op hun omgeving. Andermans falen is hun winst.

De Master of the universe-bankier is in enkele gevallen nog wel bereid zich te verantwoorden aan de antropoloog die hun eiland probeert te begrijpen. Dat geldt niet voor de zeepbelbankier, die niet meer waarneemt wat er buiten banking bubble gebeurt. Als net afgestudeerde van tweeëntwintig verdienen zij 45.000 pond plus 30.000 bonus (samen ruim 100.000 euro). Zij werken dag en nacht door, missen de geboorte van hun kinderen en raken onmatig geïrriteerd door een koffiemolen of een caissière die niet meewerkt. Een senior master of the universe zei emotievrij over mensen buiten zijn bubble: ‘Als je 100.000 euro per maand verdient, heb je gewoon bijna niets meer gemeen.’

En dan zijn er nog Waanbankiers en Koele Kikkers. De eersten zijn niet alleen het contact met de medemens maar met de hele wereld kwijt. Zij zijn volstrekt verslaafd aan het werk en hebben dringend hulp nodig als het hen lukt er uit te stappen. Hun steeds maar stijgende omzetverplichting zuigt hen de bedrijfscultuur in en drijft hen naar de randen van de waanzin.

De Masters of the Universe, de zeepbel- en de waanbankiers zijn het menselijk kruitvat in het hart van het financiële systeem, schrijft Luyendijk. De Koele Kikkers zijn extreem berekenend, wilden hem niet spreken, maar kwamen via alle verhalen uit hun omgeving naar voren als de pyromanen van het financiële stelsel.

Deze portrettengalerij is prachtig journalistiek werk. Om door de meest dynamische krant van Groot-Brittannië te worden uitgenodigd een speurtocht in het hol van de nationale leeuw, de City, te ondernemen, is niet alleen eervol. Het is ook allerminst vaststaand dat het iets oplevert. Met het zelfvertrouwen van zijn boek over journalistiek in de Arabische wereld (Het zijn net mensen) en zijn schets van de Haagse politiek (Je hebt het niet van mij) ging Luyendijk ook de City te lijf. En kwam heel ver.

Het beeld dat zich al doende vormde was onthutsender dan dat van ‘een paar rotte appels’, waar de City probleempjes uit het verleden zelf graag mee afdoet. Er bleek sprake te zijn van financiële conglomeraten met dermate ingewikkelde en explosieve producten, dat vrijwel niemand begrijpt waar de kolossale risico’s schuilen, laat staan wat er tegen te doen is als zij dreigen werkelijkheid te worden. Overheid, toezichthouders, kredietbeoordelaars en accountancy bieden slechts schijngaranties. De top van de banken heeft geen idee.

‘Het probleem is het systeem, en in plaats van individuele bankiers woedend te verwijten dat ze toegeven aan perverse prikkels, zouden we onze energie erin moeten steken die aan te pakken en weg te nemen’, concludeert Luyendijk. Van binnenuit zal die verandering niet komen. Waarom hebben politieke partijen en politici in posities van macht deze ongetemde financiële wereld laten ontstaan? Waarom staat echte hervorming niet centraal in hun programma’s?

Miljoen per jaar

‘In het hele Westen is de politiek steeds minder een rem op de macht van de financiële sector, en steeds meer een springplank voor individuen richting die sector,’ stelt Luyendijk vast. ‘De Belgische oud-premier Jean-Luc Dehaene ging naar Dexia en in Nederland leidt voormalig minister van Financiën Zalm voor iets meer dan een miljoen per jaar ABN Amro’. Na hun ambtstermijn gaven de oud-minister van Financiën van de Verenigde Staten Timothy Geithner en oud-minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton lezingen voor Goldman Sachs voor 200.000 dollar per keer. Oud-premier Tony Blair adviseert JP Morgan voor 2,5 miljoen pond per jaar.

Flink hogere kapitaalbuffers zouden banken veiliger hebben gemaakt. Maar zij zijn er niet gekomen, ‘getorpedeerd door de mondiale lobby van banken. Laat staan dat er een geloofwaardig alternatief in de steigers staat voor na een volgende crash,’ aldus Joris Luyendijk.

De bankblogger heeft zich afgevraagd of hij dit boek wel moest publiceren. ‘Wat heeft het voor zin de lezer achter te laten in machteloze angst, woede en verbijstering?’ Hij publiceert het toch. De wereld moet weten hoe de bankenlobby erin is geslaagd serieuze maatregelen tegen te houden. Hoe een goed betaalde plek in die financiële microkosmos voor politici de ultieme beloning is – voor het onbemand laten van de wereldcockpit.

Toch zijn politici de enigen die iets kunnen doen, schijft hij. Die conclusie komt wat snel. Dit kan niet waar zijn was misschien een meesterwerk geworden als het zich ook nog, en grondig, had verdiept in argumenten om de verzwakte politiek tot ingrijpen te dwingen.

‘Een nieuw ontwerp voor de financiële wereld gaat de draagkracht van één persoon ver te boven’, schrijft Luyendijk. Zeker. Journalisten beschrijven de wereld en kunnen daarmee niet wachten tot zij een recept voor redding af hebben. Maar toch. Van deze koene ontdekkingsreiziger, journalistiek vernieuwer, tevens realist met durf en denkkracht hoop je stiekem dat hij zo diep in zijn onderwerp is gedoken dat hij het definitieve en onweerlegbare actieplan ook op het spoor komt.