De eerste oehoe sinds mensenheugenis

De kraaien op de Westersingel kakelen nerveus, dat doen ze bij de aanwezigheid van een roofvogel of uil

Een oehoe op de Westersingel. Foto garry bakker

Het is met een lichaamslengte van zo’n 70 centimeter de grootste Europese uilensoort. De laatste keer dat ik er een zag, was in het Zuid-Turkse Taurusgebergte en moest ik er een halve dag voor klimmen. Nu beklom ik drie trappen, in mijn eigen stad. Het is de eerste oehoe die sinds mensenheugenis in Rotterdam is opgemerkt.

Het is aan de oplettendheid van Hans Treurniet, bewoner van de Westersingel, te danken dat de oehoe nu op de Rotterdamse vogellijst staat. Hij belde mij, afgelopen maandagmiddag: „Er zit een grote uil in de boom voor mijn huis.”

Ik vermoedde een bosuil, een soort die we de laatste jaren steeds minder zien en horen in het stadscentrum. Blij verrast met de melding ging ik kijken. Hoog in een ceder hoorde ik kraaien nerveus kakelen – dat doen ze bij de aanwezigheid van een roofvogel of uil, en daardoor had mijn tipgever de uil ook opgemerkt: „Die kraaien zitten daar nooit, ze bleven maar roepen.”

Toen de uil even in beweging kwam, zag hij de oorzaak van het opstootje langs de Westersingel. Gerieflijk, vanachter het raam, kon ik de vogel op ooghoogte bekijken. De ‘grote uil’ bleek geen bosuil maar een onmiskenbare oehoe – een knoeperd met opvallende oorpluimen. De uil stoorde zich niet aan de lawaaierige kraaien. Slechts af en toe opende hij slaperig een fel oranje oog en strekte hij een poot. Dankzij die lichaamsbeweging kon worden vastgesteld dat er geen riemen en ringen aan de poten zaten. Samen met het puntgave verenkleed wijst dat op een wilde herkomst. Helemaal zeker is dat niet, want de oehoe wordt veel in gevangenschap gehouden, ook door particulieren. De soort staat hoog op de lijst met ontsnappingen en blijkt zich in vrijheid staande te kunnen houden. Het bericht uit Diergaarde Blijdorp is echter gunstig: 'Onze drie oehoes zaten vanochtend keurig op stok in hun volière' meldt opper-oppasser Harald Schmidt.

De Nederlandse oehoepopulatie is sinds het eerste broedgeval in 1997 gegroeid tot zestien paren. Die uilen verblijven grotendeels in mergel- en steengroeven in Limburg en de Achterhoek, maar de aanwas van jonge oehoes waaiert uit. Dat ze daarbij ook grote steden aandoen, verbaast me niets. Er is voldoende eten en beschutting. Zuid-Limburgse oehoes zijn al in Maastricht gezien, jagend op stadsduiven. Maandagavond zagen ruim dertig vogelaars de oehoe geruisloos de schemerende stad in vliegen. De slaapboom op de Westersingel bleef de volgende ochtend leeg, maar er dook een oehoe op in het Valckesteynse Bos bij Poortugaal.