Waarom geldt het briefgeheim niet voor kabelverkeer?

illustratiePavel Constantin

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten stamt uit 2002, maar kent één bepaling over een ouderwets communicatiemedium. Echte, papieren brieven mogen de diensten alleen openen na toestemming van de Haagse rechtbank. Dat is ook de enige bevoegdheid van de diensten waarop de rechter voorafgaande, onafhankelijke controle uitoefent. De andere bevoegdheden worden helemaal niet op onafhankelijke wijze vooraf gecontroleerd of alleen door de minister van Binnenlandse Zaken, die deze diensten gebruikt.

Toch hoor je de regering bij de huidige herziening van die wet niet betogen dat de rechterlijke controle op het onderscheppen van brieven moet worden uitgebreid naar het onderscheppen van internetverkeer. Integendeel, de regering vindt dat de huidige bevoegdheid om draadloos verkeer ongericht te mogen onderscheppen moet worden uitgebreid naar kabelgebonden verkeer.

Die plannen moeten worden getoetst aan de grondrechten. Inperkingen op de privacy, zo volgt uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, moeten noodzakelijk zijn en voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De vaak herhaalde oneliner dat de diensten ‘doof en blind’ zouden worden zonder bredere bevoegdheden is onvoldoende. De regering moet concreet bewijzen dat zo’n uitbreiding ‘noodzakelijk’ en niet ‘nice to have’ is. Dat heeft ze niet gedaan.

Er moet ook een verband zijn tussen de personen die aan surveillance worden onderworpen en het doel daarvan (zoals terrorismebestrijding). Daar past het zonder onderscheid afluisteren niet in.

Een bevoegdheid om ongericht kabelgebonden verkeer te onderscheppen staat op gespannen voet met het beginsel dat de wetgever minder vergaande maatregelen moet kiezen als daarmee hetzelfde doel kan worden bereikt. Anders dan bij een antenne kun je bij kabel op de persoon nauwkeurig onderscheppen.

De grondwettelijkheid van de herziening van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hangt uiteindelijk af van de precieze formulering. Die kennen we helaas niet, want de regering heeft het wetsvoorstel nog niet met de Kamer gedeeld. Het is dus opmerkelijk dat een groot deel van de Kamer zich nu al achter de vage plannen lijkt te scharen. Het parlement kan haar oordeel beter opschorten, en het uiteindelijke wetsvoorstel aan een grondrechtelijke toetsing onderwerpen.

Advocaat en onderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht, Amsterdam. Nico van Eijk Hoogleraar informatierecht bij het Instituut voor Informatierecht.