Vijf blockbusters tegelijk: kunstparadijs Nederland

In de Randstad zijn straks tegelijkertijd vijf toptentoonstellingen te zien. Maar wordt er geld mee verdiend? Zelf als ‘Late Rembrandt’ een kaskraker wordt, moet het Rijks nog geld bijleggen.

Foto’s ANP, Joyce van Belkom, Maurice Boyer

Rothko, Rembrandt, Matisse, Joachim Wtewael en de kunstschatten uit de New Yorkse Frick Collection. Waar in de wereld zijn zo dicht bij elkaar zoveel toptentoonstellingen als deze winter in de Randstad? In Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht hangt voor miljarden aan kunst, uitgeleend door musea en verzamelaars vanuit heel de wereld.

Voeg daarbij The European Fine Art Fair in Maastricht en Nederland kan in februari en maart met recht het centrum van de internationale kunstwereld worden genoemd. „We spelen Champions League”, zegt Karin van Gilst, zakelijk directeur van het Stedelijk Museum. „Het laat zien hoe groot ons organiserend vermogen wel niet is”, zegt Edwin Jacobs, directeur van het Centraal Museum Utrecht.

Is het toeval, vijf van zulke internationale publiekstrekkers vrijwel tegelijkertijd? Versterken of kannibaliseren ze elkaar? En wat zijn de voor- en nadelen van zulke kostbare exposities? Vijf directeuren geven antwoord.

Logisch dat de kunstagenda opeens zo rijk gevuld is, zegt Benno Tempel van het Gemeentemuseum Den Haag. „Na jarenlange verbouwingen kunnen Rijks, Stedelijk en Mauritshuis eindelijk weer museumpje spelen.” En dat werd tijd ook, zegt hij. „De afgelopen twintig jaar was het aanbod te schraal. Ons land telt zeven musea van wereldniveau en de Collectie Nederland is ongelooflijk rijk. Dat schept verplichtingen.”

Blockbusters organiseren is zo’n verplichting. Al stuit die benaming bij de meeste directeuren op bezwaren. Sjarel Ex van Boijmans spreekt liever van „dragende tentoonstellingen”. Emilie Gordenker van het Mauritshuis gebruikt de term ‘publiekstentoonstellingen’. Zij pleit voor kwaliteit, niet voor kwantiteit. „Twintig jaar geleden trok onze Vermeer-tentoonstelling 400.000 bezoekers. Net als na een groot feest voelden we ons daarna een beetje brak. Hoe duurzaam is beleid dat de nadruk legt op blockbusters? Ik ben meer geïnteresseerd in het aantal herhaalbezoekers voor de vaste collectie. Die vaste collectie goed presenteren en conserveren, dát is de kerntaak van een museum.”

Frick

Dat neemt niet weg dat ook het Mauritshuis probeert jaarlijks één spannende publiekstrekker te organiseren. Nu met 36 topstukken uit de Frick Collection in New York, een museum waaraan het Mauritshuis tijdens de verbouwing eerder zijn eigen topstukken uitleende. In drie maanden tijd hoopt het Mauritshuis daarmee zeker 150.000 bezoekers te trekken.

De voordelen van zulke grote exposities zijn evident, zegt Gordenker. De grote toeloop genereert aandacht voor de vaste collectie. De belangstelling geeft een kick aan de organisatie en het trekt sponsors aan. Ook biedt het kansen aan wetenschappers. „Wanneer kan je zoveel Rembrandts bij elkaar zien als nu in het Rijks?”

De nadelen zijn even zonneklaar. Neem de hoge kosten, zegt Gordenker. „We hebben nu extra mensen nodig om de rijen voor het Mauritshuis in goede banen te leiden, om de muren wit te houden en wc’s vaker schoon te maken.” Ook putten blockbusters door de jarenlange voorbereiding de organisatie uit.

Haar collega’s beamen dat. Edwin Jacobs van het Centraal Museum: „Je moet afdelingen en conservatoren soms voor lange tijd vrijstellen, zodat ze een bijbehorende publieksboek kunnen schrijven.” De staf gaat tot op het bot, zegt Sjarel Ex, wiens medewerkers nu druk bezig zijn met Van Bosch tot Bruegel, een grote expositie over het begin van de genreschilderkunst die in oktober opent. „Je wilt met zo’n dragende tentoonstelling de kunstgeschiedenis een stap verder brengen.”

Door de hoge kosten voor transport, verzekering, catalogus en publiciteit kleven er grote financiële risico’s aan de publiekstrekkers. Of 2015 voor het Rijks een succesvol jaar wordt, hangt volgens directeur Wim Pijbes af van het succes van Late Rembrandt. En zelfs als de tentoonstelling de verwachte kaskraker wordt, dan nog komt een deel van de recordbegroting (5 miljoen euro) uit de eigen middelen.

De exploitatie van blockbusters is een hachelijke zaak, zegt Ex. „Vergelijk het met een sprong over een sloot. Het is altijd de vraag of je zonder nat pak de overkant haalt.” Geld genererende oefeningen zijn het niet, zegt ook Gordenker. Collega Tempel is opgelucht over het succes van zijn Rothko-show; met nog twee weken te gaan passeerden al ruim 200.000 bezoekers de kassa. Door de relatief lage kosten (1,3 miljoen euro) eindigt die tentoonstelling „zeker niet in de min”, zegt Tempel.

Het Stedelijk Museum organiseerde sinds de heropening in september 2012 drie publiekstentoonstellingen: overzichten van Malevitsj, Marcel Wanders en Marlene Dumas. Die hebben zich terugverdiend, zegt Karin van Gilst. „Maar het is elke keer weer een tour de force met het werven van sponsors en barter-acties.”

De blockbusters zijn onontbeerlijk voor het nakomen van de afspraken met overheden. De gemeente Amsterdam eist van het Stedelijk bijvoorbeeld ruim een half miljoen bezoekers per jaar. Mede dankzij de twee publiekstrekkers voldoet het glansrijk aan die norm. Wanders (ruim 270.000 bezoekers) en Dumas (312.000) stuwden de bezoekcijfers vorig jaar op tot recordhoogte: 811.000 kaartjes.

Met alleen de vaste collectie zou het Gemeentemuseum Den Haag nog geen 150.000 bezoekers trekken, zegt Benno Tempel. Met jaarlijks twee publiekstrekkers komt zijn museum uit boven het half miljoen bezoekers. Sjarel Ex: „De dragende tentoonstellingen ondersteunen niet alleen ons programma, maar ook de exploitatie van het museum.”

Sponsors

Door de hoge kosten zijn blockbusters alleen te organiseren met bijdragen van cultuurfondsen en andere sponsors, zeggen allen. Ex geeft pas definitief toestemming voor een tentoonstelling als de helft van de begroting is gedekt door toezeggingen van derden. Edwin Jacobs legt die grens zelfs bij 60 procent. „Investeren is ook een gokje nemen”, zegt hij.

Voor Rembrandt en Matisse is het niet moeilijk om het bedrijfsleven te interesseren. Van Gilst: „Dat zijn quintessential schilders, wie houdt niet van hen?” Maar voor Mark Rothko moest het Gemeentemuseum genoegen nemen met een ton van de Turing Foundation en een ton van een particulier. Directeur Tempel: „Het is op dit moment niet makkelijk om bedrijfssponsors te interesseren. Voor Rothko had ik mijn hoop gevestigd op verffabrikant AkzoNobel, maar dat bedrijf gaf niet thuis.”

Vijf blockbusters vrijwel tegelijk, het is niet zo gepland. Maar geen van de bestuurders vindt het een probleem. „Hoe meer grote tentoonstellingen hoe beter”, zegt Gordenker. Collega Ex trekt een vergelijking met de concentratie schoenenwinkels op de Oude Gracht in Utrecht. „Veel goede tentoonstellingen tegelijk, dat trekt extra volk. Door Late Rembrandt kan het Centraal Museum rekenen op tienduizend extra buitenlandse bezoekers voor Wtewael.”

Het Mauritshuis en het Rijksmuseum hebben voor Rembrandt en Frick samen opgetrokken. De openingen zijn op elkaar afgestemd en de musea zijn samen in het buitenland actief geweest om belangstelling voor de tentoonstellingen te wekken. „We zijn niet alleen goede museumbestuurders, maar ook goede zakenmensen”, zegt Gordenker.

Aandacht trekken is essentieel voor het welslagen van een blockbuster. Wim Pijbes vertelde onlangs dat het Rijks zo’n 7,5 ton reserveerde voor de pr van Late Rembrandt. Sterspotjes, advertentiebijlages in kranten, een grote advertentiecampagne en een gesponsorde uitzending van RTL Late Night – in de veertien dagen voor de opening afgelopen donderdag was het „uit alle luiken vuur”, zei Pijbes.

Met enige jaloezie keek Sjarel Ex naar dat machtsvertoon. Boijmans had nog nooit meer dan 60.000 euro beschikbaar voor een publiciteitscampagne. Ex: „Twee rondjes affiches door Nederland, dan is het geld wel op.”

Of een blockbuster een kaskraker wordt, kan volgens Pijbes opgemaakt worden uit de bezoekcijfers van de eerste tien dagen. Volgens Ex speelt de geluksfactor ook een rol. „Tegen een vroege lente is niks bestand. Vorig jaar maakte onze tentoonstelling met de beelden van Brancusi en Rosso een vliegende start. Tot de zon ging schijnen en het op 8 maart opeens twintig graden werd. Toen zakte de belangstelling helemaal in.”