Onbedoeld werd Saoedi-Arabië hofleverancier van jihadisten

Prins Bandar, vriend van de familie Bush, steunde de rebellen in Syrië ruim maar keek niet goed waar het geld heen ging, schrijft Paul Aarts.

Sinds de opkomst van ISIS hoor je beweren dat de regering van Saoedi-Arabië rechtstreekse banden zou hebben met deze terroristische organisatie en financiële en militaire steun zou hebben verleend. Harde bewijzen zijn echter nooit geleverd. Wil dat ook zeggen dat er helemaal niets aan de hand is?

Vanaf medio 2013 heeft Saoedi-Arabië de rol van Qatar overgenomen als belangrijkste financier van Syrische strijders tegen het regime van Bashar al-Assad. Die steun ging vooral naar het ‘Islamitische Leger’, een organisatie met een expliciet anti-seculiere agenda, maar concurrerend met radicale jihadistische groepen, gelieerd aan Al-Qaeda, zoals Jabhat al-Nusra en ISIS. Het is waarschijnlijk dat wapens, bedoeld voor het Islamitisch Front, in handen vielen van die andere groepen.

Naast geld en wapens stuurde Saoedi-Arabië ook jihadisten naar het slagveld, overigens zonder echt te weten waar die terecht kwamen. Er was immers forse pressie uit conservatief-religieuze hoek om vrijwilligers op te roepen voor de strijd tegen de ‘ongelovigen’, lees de de shi’ieten in Syrië. Dat motief strookte met het gedachtengoed van het ultra-puriteinse, xenofobe en vooral anti-shi’itische wahhabisme – de staatsislam van Koninkrijk Saoedi-Arabië. Menig strijder belandde bij ISIS, de succesvolste organisatie op het Syrisch-Iraakse slagveld. Zo werd Saoedi-Arabië onbedoeld hofleverancier van buitenlandse jihadisten (met Tunesië concurrerend om de eerste plaats). Niemand die de exacte aantallen weet, maar er bevinden zich nu minimaal 3.000 Saoedi’s (en maximaal 6.000) onder de buitenlandse jihadisten van (inmiddels) IS.

Prins Bandar bin Sultan, niet alleen bekend als ‘Bandar Bush’ wegens zijn 22-jaar lange ambassadeurschap in de VS maar ook als havik, beheerde het dossier-Syrië. Als chef van de veiligheidsdienst was hij verantwoordelijk voor de royale steun aan Syrische rebellen, zonder te controleren waar al dat geld en die wapens terecht kwamen. In Saoedische overheidskringen begon men begin 2014 langzaam maar zeker te beseffen dat Bandars beleid weleens contraproductief zou kunnen uitpakken. Zouden die Saoedische jihadisten immers niet op een gegeven moment huiswaarts keren en dan een rechtstreeks gevaar vormen voor het Huis van Saoed (net zoals dat destijds gebeurd was na de terugkeer van Osama bin Laden en de zijnen na gedane zaken in Afghanistan)? Het ideeëngoed van IS lijkt weliswaar opvallend veel op dat van het wahhabisme, maar op minimaal één punt verschillen ze nadrukkelijk: kalief Abu Bakr al-Baghdadi is een uitgesproken tegenstander van de koning van Saoedi-Arabië als ‘Beheerder van de Twee Heilige Plaatsen’ (Mekka en Medina). Des te beter als daar snel een eind aan komt, zo heeft al-Baghdadi inmiddels diverse malen laten weten.

Prins Bandar moest ontslag nemen – officieel wegens ‘gezondheidsklachten – en de regering kondigde een harde anti-terreurwet af, inclusief zware gevangenisstraffen voor jihadisten die van een buitenlands strijdtoneel terugkeerden. Maar is dit niet ‘too little, too late’? Jihadistische sociale media staan intussen vol rechtstreekse aanvallen op de Saoedische koninklijke familie. Op Twitter bijvoorbeeld verscheen een foto van gemaskerde strijders op een pick-up truck, uitroepend ‘Met de hulp van God zullen we het Arabische Schiereiland binnenkomen’. Nu is dat gaande. In november vorig jaar drongen jihadisten een shi’itisch centrum in het oosten van het land binnen, en doodden zeven biddende gelovigen. Grensincidenten zijn aan de orde van de dag en Saoedische jihadisten slagen er regelmatig in het land binnen te dringen, ondanks het ‘hek’ dat Saoedi-Arabië bouwt langs de 900-kilometer lange grens met Irak. Aanslagen op buitenlanders, lang niet voorgekomen, vinden af en toe weer plaats.

Zeker niet veel Saoedi’s zijn fan van IS, maar een aantal staat er sympathiek tegenover. Dat heeft alles te maken met de decennialange indoctrinatie in het onderwijs dat alles wat niet wahhabitisch is, niet deugt – shi’ieten in het bijzonder. Een recente peiling gaf aan dat zo’n vijf procent van de Saoedische bevolking IS-gezind is, genoeg om serieus rekening mee te houden. Het koningshuis beseft onderhand dat het misschien te enthousiast is geweest in zijn steun aan de rebellen in Syrië. Teruggekeerde jihadisten zullen zich afvragen waarom ze eerst te horen kregen dat Bashar al-Assad de bron van alle kwaad is en ze nu bij thuiskomst worden opgepakt. ‘Verraad’ en ‘hypocrisie’ is het minste wat ze in de mond zullen nemen.

Betekent dit dat het Huis van Saoed, in nauwe coalitie met de wahhabitische geestelijkheid, direct verantwoordelijk is voor de gruweldaden van alles wat het IS-monster doet? Nee, maar men dient zich in Riad toch wel ernstig af te vragen of de decennialang gevoerde propaganda niet als een boemerang op het land zelf terugslaat. Hoog tijd dus om in eigen huis orde op zaken te stellen en een einde te maken aan elke vorm van onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden.