Landerig drama over moeder

Het echtpaar komt binnen met bloemen voor moeder in het verzorgingshuis, maar ze is er niet. Mammie is uit wandelen, blijkt, en dus moeten ze wachten. De tijd doden ze met klagen over de spoorwegen, het jagen op een vlieg en de vraag wat die emmer in de verder kale kamer doet.

Zoiets lijkt geknipt voor het droogkomisch talent van Raymonde de Kuyper en de gelaagde norsheid van Raymond Thiry, maar het landerig begin lijkt de acteurs te bevangen. Pas als De Kuyper zich kan opwinden en dat doet ze zodra haar man iets zegt, komt ze wat los. Dan heeft Thiry ook iets om zijn zwijgende blik op te richten.

In de tekst van Moniek Kramer, die ook de regie doet, blijft het drama dralen. De man ruikt anders, dus veronderstelt zij dat hij een ander heeft. En waar blijft moeder? Vroeger riep ze vaak dat ze in de IJssel zou springen. Maar Mammie kwam altijd terug.

Tergend is de scène waarin de vrouw klaagt over de muzak als ze in de wacht staat. Pas als de man haar er in een martelend spel toe drijft te zeggen wat ze echt van haar moeder denkt, is er emotie voelbaar. Maar dan volgt er nog een slot waarin het voorafgaande op losse schroeven wordt gezet.

Er is niets gebeurd en er zal niets gebeuren. Want, zegt deze voorstelling, de muzak, een geestdodend riedeltje waar je je kapot aan ergert en waar je niets aan kan doen, is als het leven zelf.