Het weer bepaalt wat er gebeurt

Jan Buisman (90) beschreef als ‘chroniqueur van het weer’ hoe de loop der dingen werd beïnvloed door aanhoudende vrieskou, verzengende hitte of een vroege herfst. Deel 6 van zijn kroniek over het weer in de Lage Landen is net verschenen.

Ten tijde van de Franse inval. Generaal Daendels neemt afscheid van luitenant-kolonel Krayenhoff, schilderij door Adriaan de Lelie en Egbert van Drielst, 1795 Rijksmuseum Amsterdam

Zijn opzienbarendste arbeid heeft Jan Buisman na zijn pensionering verricht. Sinds hij in 1986 na veertig jaar het leraarschap neerlegde, kon de historisch geograaf zich volledig wijden aan het schrijven van Duizend jaar weer, een reeks dikke boeken over „de belangrijkste bijzaak in de geschiedenis”, zoals hij stelt in zijn beschrijving van de weersgesteldheid in de Lage Landen.

Het eerste deel, dat de jaren 764 tot 1300 beschrijft, kwam bijna dertig jaar geleden uit. Vorige week verscheen deel zes. Hierin wordt de periode 1751-1800 beschreven, goed voor negen watersnoden in tijden van oorlog, Franse overheersing en revolutie. Buisman: „Ik beschrijf het weer, en vlecht daar de geschiedenis doorheen. Dat is de truc. De reacties zijn doorgaans heel positief. Als er kritiek is, dan is het dat er te veel politiek in zit. Maar ja, ik wil de tijd typeren.”

Buisman bereikt vandaag de leeftijd van 90 jaar. De chroniqueur van het weer, woonachtig in Den Haag, heeft nog vier delen te gaan. „Bij deel tien ben ik waarschijnlijk 110, maar dat merken we dan wel. Ik voel wel dat ik geen 80 meer ben. Ik ben iets minder vitaal. Maar mijn geheugen is goed. Ik heb alleen wat last van kriebelhoest.”

Hoe reageert de mens op somber weer?

Buisman beschrijft het weer van de afgelopen ruim duizend jaar in hoofdstukken met titels als ‘Hoe reageert de mens op perioden met somber weer?’ of ‘Franse aanval in het westen begunstigd door droge wegen’ of ‘Mijn man drinkt des morgens een glaasje reegenwater’. Je valt als lezer van de ene verbazing in de andere. Als het in mei 1757 bijna een maand niet heeft geregend en het land kurkdroog is, volgen maatregelen tegen brieven waarin brandstichting wordt aangekondigd. „De straffen zijn niet mals. De schrijver van de brieven, de brandstichter en hun helpers kunnen er op rekenen ‘aen een Pael levendig te worden verbrand’.”

Het weer was de afgelopen duizend jaar vooral onvoorspelbaar, stelt Buisman. Hij onderscheidt drie perioden. Eerst warm weer. Daarna koud weer tijdens de zogenoemde ‘Kleine IJstijd’ tussen grofweg 1430 en 1840. Daarna weer warm weer. Binnen die perioden valt vooral de „grilligheid” op. Dat geldt ook voor de tweede helft van de achttiende eeuw. „Er zit een rijtje bloedhete zomers in. Dan denk je: waar komen die ineens vandaan, we zitten toch in de Kleine IJstijd?”

De kunst is, vertelt Buisman bij een kop koffie, om niet te bezwijken voor de verleiding regelmaat te willen zien. „In mijn boek staan reeksen getallen over 870 winters en 870 zomers, zeg maar een rapportcijfer over het weer die statisticus Folkert IJnsen op basis van mijn gegevens heeft gemaakt. Die reeksen maken een tamelijk chaotische indruk. Je moet daar als onderzoeker onbevooroordeeld tegenover staan. Als begin 1300 drie strenge winters achter elkaar worden beschreven, dan mag je niet denken: hé dat kan eigenlijk niet, want dat komt nooit voor. Daar is de meteoroloog van Hitler, Franz Baur, mooi de mist mee ingegaan. In 1940 was er een pittige winter en ook die van 1941 was streng en hij zei dat in 1942 de winter aan het oostfront wel niet zo streng zou worden.”

De mythe van de hongerwinter

Buisman heeft de afgelopen decennia de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag „platgelopen” op zoek naar historische bronnen. Brieven. Kronieken. Jaarboeken. Reisverhalen. Je hoeft, zegt Buisman, niet alle bronnen te gebruiken om te weten wat voor weer het is geweest. Maar het is wel zaak het kaf van het koren te scheiden, vooral in de jaren vóórdat er instrumenten werden gebruikt om metingen te doen. „Uitzoeken. Puzzelen. daar hou ik wel van.”

Met beschrijvingen van het weer moet je in het algemeen „geweldig oppassen”, vertelt Buisman. „Soms zegt iemand half december dat het zo’n strenge winter is! Die bedoelt gewoon dat het erg koud is. Ik heb een huishoudelijke hulp, een Surinaamse, die zegt dat het zo hard vriest. Terwijl het vijf graden boven nul is! Ze bedoelt dat het erg koud is. Zo is er ook de mythe van de Hongerwinter. Iedereen zegt dat dat zo’n strenge winter was. Men spreekt over hongertochten door de sneeuw, dat het verschrikkelijk was om verkleumd door de sneeuw te gaan. Tja, het heeft tot eind januari flink gevroren en gesneeuwd. Ook ik had het koud. Ik had geen sokken meer en knoopte een zakdoek om mijn voeten. Maar een strenge winter was het niet.”

Literatuur is geen goede weerbron

Literatuur kun je lang niet altijd serieus nemen. „Heel link! Men fantaseert er op los.” Bruikbaar zijn vooral beschrijvingen van ooggetuigen. „De mooiste bronnen vind ik reisbeschrijvingen. Van de vader van Mozart bijvoorbeeld, toen de familie hier was. Als reiziger heb je altijd met weer te maken. Je reist in een trekschuit of in een postkoets. Je komt bij een rivier en er vaart niks want de boel is overstroomd. Of je komt in een sneeuwstorm terecht en je moet drie dagen overnachten omdat je de deur niet uit kunt.”

Dagboeken en brieven? „Ook prachtig.” Vaak passen de beschrijvingen bij andere bronnen. Rekeningen na schade door storm. De tolrekeningen van de grote rivieren. „Prachtig!” In de Middeleeuwen had je tollen in Zaltbommel, Tiel, Nijmegen. „Daar lees je dat er op die dag geen schip is gepasseerd, propter glaciem, vanwege ijs.” Of rekeningen van trekschuiten in de trekvaart tussen Haarlem en Leiden, vanaf 1654. „Ik heb al die rekeningen doorgevorst. In sommige winters kon ongestoord worden gevaren. In andere winters waren er vijftig, achtendertig of zeventig dagen met besloten water. Het komt in zulke bronnen maar zelden voor dat je iets vindt wat niet klopt.”

De rol van het weer in de geschiedenis is „onderbelicht”, zegt Buisman. Zijn boeken maken daar een einde aan. „In de geschiedenis van oorlogen lees je zelden wat over het weer. Terwijl dat toch heel belangrijk is. Von Clausewitz wist dat ook al. Je maakt een plan, je kient het uit, generaals staan gebogen over kaarten, en door het weer komt er niks van terecht, het plan mislukt.” Van belang zijn droge wegen. „Daar kun je met kanonnetjes langs.” Ook van belang: geen regen die kruit nat maakt. „Als het regende, zei men: vandaag maar niet vechten, laten we een potje bier drinken.” En verder: gras voor de paarden. „Waarom viel Napoleon in 1812 pas eind juni Rusland binnen? Vanwege het koude voorjaar! Er was te weinig gras voor de paarden. Dat lees je niet in de geschiedenisboeken.”

Ook Hitler viel in 1941 door verwikkelingen elders in Europa een maand te laat Rusland binnen. „Eind juni. Op een zondagmorgen. Ik weet het nog goed. In oktober zag hij de torens van Moskou. Daarna kwam hij in de Russische winter terecht.”

Denk ook maar eens aan de oorlog in Noord-Holland in 1799 tussen de Engelsen en de Fransen. „De Engelsen en de Russen zijn pas in augustus geland. Veel te laat. Door het slechte weer. Dat had eind mei al moeten gebeuren. Ze dachten: wij vallen Nederland binnen, die Nederlanders zijn de Fransen allang zat dus die komen in opstand, en dan is Nederland bevrijd. Maar er wordt getalmd. Het wordt herfstweer. Buien. Regen. Miezerige modderwegen. Er breken ziekten uit. De soldaten krijgen honger en dorst. De aanval wordt afgeblazen. Totaal mislukt.”

Of neem de Glorious Revolution, de aanval van Willem III op Engeland uit 1688. „Hij wilde koning worden en dat is ook gebeurd. Maar de aanval was bijna mislukt door het weer. Hij voer weg en er kwam meteen een geweldige storm. Ze hadden duizenden paarden aan boord die in Engeland het geschut moesten trekken. De paarden stootten voortdurend hun hoofd tijdens de storm, andere waren gestikt. Dus het eerste wat ze moesten doen, is honderden paarden in zee kieperen.”

Het is niet overdreven te stellen dat ook bij het ontstaan van de Franse Revolutie in 1789 het weer een „factor van betekenis” is geweest. Buisman: „Er was in Frankrijk geweldige ontevredenheid sinds de klassieke winters van 1709 en van 1740. Er was hongersnood door misoogsten. En op zondagochtend 13 juli 1788 was er ook nog eens een geweldige hagelbui die over een paar honderd kilometer van zuid naar noord trok, die de oogst vernielde en die gigantische schade veroorzaakte zoals aan duizenden ramen van kastelen langs de Loire. Vervolgens komt de topwinter van de achttiende eeuw, de gigantische winter van 1788-1789. Daar lees je nooit iets over in de geschiedenisboeken. In maart is het geweldig koud geweest. De boeren hebben gevraagd om verlaging van pacht en belastingen en hebben zich zorgen gemaakt dat het graan in de grond bevroor. Want dan kreeg je weer hongersnood. En in mei breekt de revolutie uit. Kijk, je mag natuurlijk niet zeggen dat de revolutie het gevolg was van het weer. Maar het weer moet zeker invloed hebben gehad.”