Column

Eeuwig twijfelen

Je kunt het boek Vader en dochter van Hendrickje Spoor afdoen als een irrelevant, exhibitionistisch relaas over verwende, bevoorrrechte mensen met luxeproblemen – een soort soap over een elitair wereldje. Die gedachte kwam in de zwakkere passages soms ook bij mij op, maar toch is het geen reactie waarmee je het boek recht doet.

Vader en dochter zal ik vooral onthouden als een soms pijnlijk openhartig boek over een vader-dochter-relatie, dat minstens zoveel onthult over de libertijnse tijdgeest in de tweede helft van de vorige eeuw als over de betrokkenen. Soms had ik het gevoel dat ik in een onbekende roman van John Updike of John Cheever was beland – schrijvers die in die jaren ook veel schreven over seks, drank en feestgedruis in de betere, culturele kringen. Ook de associatie met bepaalde personages bij Woody Allen is verleidelijk.

Kortom, Vader en dochter is zowel egodocument als tijdsbeeld en het overtuigt in beide hoedanigheden. Daarom bleef het me tot het einde boeien, al moest ik me afvragen of dat ook kwam doordat Spoor korte tijd mijn hoofdredacteur was geweest. Wie wil er niet lezen over het geheime leven van iemand die een poosje boven hem gesteld was? Het is een perfect alibi voor grenzeloze nieuwsgierigheid.

Toch is dat, achteraf bezien, niet het belangrijkste bestanddeel van het boek. Spoors erotische escapades zijn zeker de moeite van het vermelden waard, al was het alleen maar omdat ze in hun opeenstapeling ook een zeker hilarisch effect sorteren, vooral als hij na de zoveelste verovering verzucht: „Je kunt toch geen nee zeggen.”

Maar het is niet de rode draad van het boek; dat is die onverbrekelijke band tussen vader en dochter. Hendrickje weet zich lange tijd op zeer invoelbare wijze geen raad met haar leven en twijfelt over alles: studie, ambitie, relaties. Ze klampt zich zo lang mogelijk vast aan haar vader, ook al is hij - zelf eeuwige twijfelaar - juist haar spiegelbeeld.

Ze bellen elkaar vooral als het hun niet goed gaat. „Wanneer ik gedurende de jaren die volgen steeds vaker aan depressies ga lijden, betekent een gesprek met mijn vader voor mij zelfs de enige, kortstondige, verlichting tegen mijn ziekte. (…) Als het Pappa niet goed gaat, begint ons gesprek altijd op dezelfde manier. ‘Pappa’, zegt hij met barse stem wanneer ik opneem, en op mijn vraag hoe het met hem gaat: ‘Niet goed!’ En dan volgt het relaas van zijn ellende.”

Wat ze, al of niet bewust, vooral in elkaar moeten hebben herkend, is hun onvervulde artistieke ambitie. Ze hunkerden naar het literaire schrijverschap; Spoor was het liefst, zoals Thomas Mann, een ‘freier Schriftsteller’ geworden, een ongebonden kosmopolitische figuur die van zijn werk kon leven.

Hij probeert lange tijd een baanbrekend toneelstuk te schrijven, maar zijn ambitie blijkt groter dan zijn talent. Hij moet genoegen nemen met de troostprijs van het hoofdredacteurschap. Dáár lag zijn talent, maar niet zijn hart, zoals ook blijkt uit het feit dat hij te vroeg (vindt hij later zelf) afscheid neemt als hoofdredacteur van NRC Handelsblad.

Spoor eindigde als een sombere man, ‘gevangene van zijn verlammende hypochondrie’, klagend over zijn gezondheid „en over alles wat hij verkeerd had gedaan in zijn leven.”

Jammer dat hij niet voldoende beseft heeft dat, in de ogen van anderen, tegenover dat verkeerde ook veel goeds stond.