‘De zoektocht van Antigone herken ik’

De Franse filmster speelt de titelrol in de toneelproductie ‘Antigone’, onder regie van Ivo van Hove. „Ik kende hem hiervoor niet. Maar het is heerlijk efficiënt werken met hem. We repeteren maar vier uur per dag!”

Juliette Binoche in drie van haar bekendste films. Vanaf boven:The Unbearable Lightness of Being (1988),Trois Couleurs: Blue (1993),Chocolat (2000).

Juliette Binoche zit op haar knieën op het toneel van het Grand Théâtre de Luxembourg; plechtige houding, kaarsrechte rug – ze speelt Antigone. Voor haar ligt de acteur die haar broer Polyneikes voorstelt. Hij steunt nu nonchalant op zijn arm, bovenlichaam naar Binoche gericht, maar eigenlijk is hij dood.

Vandaag discussieert Binoche in Luxemburg over de beste ligging van het lijk; op zijn rug of toch op zijn zij? Haar toon is beheerst doch beslist. Om haar heen torenen vijf mannen; regisseur Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam, zijn dramaturg en scenograaf en twee acteurs. Ze zwijgen. Luisteren. Knikken.

Met haar geringe lengte, spichtige postuur en smalle schouders oogt Juliette Binoche (50) als een mooi, teer vogeltje, een kolibrie. Maar ze is o zo gedecideerd, blijkt ook tijdens een interview, twintig minuten één op één, en geen seconde meer. Ze weet wat ze vindt en ze weet wat ze wil, net als haar personage. Na ontelbare interviews gedurende haar ruim dertig jaar omspannende filmcarrière is ze bovendien een routinière. Binoche weet wat ze wil zeggen, en vooral heel goed wat niet.

In vrijwel elk artikel over haar wordt wel melding gedaan van dat onberispelijke sfinxachtige optreden; ze is vriendelijk maar gereserveerd; vermijdt allercharmantst elke persoonlijke referentie. Privé is al drie decennia privé. Vandaag is dat niet anders. Niettemin spreekt ze met bevlogen bedrevenheid over Antigone, theater, en de samenwerking met Van Hove. Waarom ging haar voorkeur uit naar dit stuk, terwijl Van Hove aanvankelijk Medea en Elektra voorstelde? Ze zag het ooit, zegt ze, op haar achttiende, en had al die tijd een sterke herinnering behouden aan de grote vragen die Sophocles opwerpt: hoe ga je om met macht? Wat maakt iemand een goede leider? Binoche: „Medea en Elektra zijn ook schitterende stukken, maar Antigone zat simpelweg in mijn hart.”

In Sophocles’ klassieke tragedie (441 v.Chr.) sneuvelt Polyneikes op het slagveld, in gevecht met Antigones andere broer Eteokles, die eveneens omkomt. Omdat Polyneikes aan de verkeerde kant vocht, weigert koning Kreon, tevens hun oom, zijn lichaam te laten begraven. Hij moet wegrotten op het open veld in de brandende zon. Antigone staat dat niet toe. Zij trotseert de machtige Kreon, en doet wat ze menselijk acht: ze begraaft haar broer.

Nu ze ouder is, begrijpt ze beter waarom het haar destijds zo raakte, zegt Binoche. „Het stuk heeft nadrukkelijk een vrouwelijke kant, die gaandeweg de mannelijke kant, gesymboliseerd door Kreon, voedt en verrijkt.” De rationele Kreon denkt, bestuurt en redeneert, Antigone handelt vanuit haar hart. Hij wil heersen, wetten handhaven, en zij wil gewoon zijn: mens zijn. Met haar handelen verandert ze hem, aldus Binoche. Door zijn straf, de dood, met geheven hoofd te accepteren, wijst ze hem op de gruwelijke consequenties van zijn rechtlijnige politiek. Na haar overlijden pleegt Kreons zoon Haemon, Antigones verloofde, zelfmoord. Diens moeder, Kreons vrouw, volgt haar zoon in de dood. De driedubbele tragedie maakt de machthebber weer mens. Binoche: „Uiteindelijk brengt Antigones daad en wat erop volgt in Kreon de ratio en de emotie, het mannelijke en het vrouwelijke samen.”

Die suggestie van Sophocles – iets voorschrijven doet hij niet – sluit volgens Binoche aan bij hedendaagse verhoudingen, de macht kan wel wat vrouwelijke invloed gebruiken. Al te concreet wil ze daar niet op ingaan; de thematiek is tenslotte universeel. „Kreon is één en al intellect en ratio. Hij moet in contact komen met zijn gevoel. Sophocles dringt aan op een vereniging van die twee. Die oproep is nu even relevant als toen: mensen en samenlevingen moeten in contact staan met hun vrouwelijke kant.”

De vraag welke aspecten van haar eigen karakter ze moet aanboren, om Antigone te belichamen, houdt Binoche zich vakkundig van het frêle lijf. „Zij moet zóveel doorstaan! Antigone weet heel goed wat ze moet doen, die vastberadenheid bepaalt in eerste instantie haar toon. Als ze vervolgens de consequenties van haar daden moet aanvaarden, dan is ze berustend; ze is al onder de doden, zegt ze. Maar dan moet Antigone in haar eentje afdalen in een duister hol, om er te sterven, en slaan de paniek en wanhoop toch nog toe. Zo slingert ze tussen uiterste emoties. Het is geweldig om die extremen te spelen.”

Oudste liefde

Omvat haar filmografie inmiddels bijna zestig titels, pas zeven keer stond Binoche in een theaterproductie. Drie keer voordat ze „film ging doen”, formuleert ze pretentieloos, en vier keer in de afgelopen vijftien jaar: ze stond in Pinters Betrayel op Broadway (2000) en Pirandello’s Naked in West End (1998), ze danste in de productie In-I (2008) met choreograaf Akram Khan, en speelde de titelrol in Miss Julie (2012) bij The Barbican, een eigentijdse bewerking van Strindbergs Freule Julie. Heeft ze inmiddels de ambitie om dit vaker te gaan doen? „Zo plan ik mijn carrière niet, dat heb ik nooit gedaan. Ik kijk wat er op mijn pad komt, en als het interessant is, pak ik dat aan. Zo heb ik de eer gehad met een lange reeks ongelooflijk inspirerende regisseurs en kunstenaars te werken. Heel soms bel ik er zelf eentje op met een voorstel. Dat is mooi aan waar ik nu sta in mijn carrière; ik weet heel goed wat ik wil.”

Film noch theater heeft haar voorkeur, zegt ze. Maar: „Toneel is wel mijn oudste liefde.” Haar moeder was actrice, haar vader acteur en regisseur, dus Binoche is zo’n beetje in de coulissen van het theater geboren. „Ik ben opgegroeid met de geuren van kostuums en decors, tussen make-up en techniek; ik hou van die dromerige schemerwereld achter de schermen.”

Binoche werkte eerder met regisseurs als Krzysztof Kieslowski, Michael Haneke, Abbas Kiarostami en David Cronenberg. Aan dat illustere rijtje wordt nu de naam van Ivo van Hove toegevoegd, de directeur van Toneelgroep Amsterdam die het afgelopen decennium groot internationaal aanzien verwierf, en recentelijk in Groot-Brittannië door theaters, publiek en critici juichend in de armen is gesloten. „Nee, ik kende hem hiervoor niet”, zegt Binoche zonder blijk van wroeging. „In Frankrijk is hij niet zo bekend. En als ik niet aan het draaien ben, ga ik nauwelijks naar theater; mijn vrije tijd spendeer ik zoveel mogelijk met mijn kinderen.” Ze heeft er twee, Raphaël (21) en Hana (15), van verschillende vaders, verder wijdt ze daar in interviews nooit over uit, ook nu niet.

Goed, werken met Van Hove dan; hoe is dat haar bevallen? Op de persconferentie grapt ze: „Heerlijk, lekker efficiënt! We repeteren maar vier uur per dag!”

Van Hove: „Nee, Juliette, vijf.”

Binoche: „Vier, en drie kwartier lunchpauze.”

Wel vreest ze dat het dus lang zal duren voor ze goed ingespeeld zijn. Grappend: „U kunt misschien beter wat later in de tournee komen kijken.”

Even later voegt ze eraan toe hoe „slagvaardig” ze Van Hove vindt. „Hij heeft zich omringd met vertrouwelingen – zijn componist, zijn dramaturg, zijn scenograaf – met wie hij kan lezen en schrijven. Hij is heel gefocust en vastberaden en weet wat hij wil. Zijn team sluit daar perfect bij aan. Zo heeft hij de slagkracht om exact te bereiken wat hij wil.”

Van Hove laat haar behoorlijk vrij in het spelen. Soms doet hij een suggestie, of geeft haar een andere intentie mee. Maar met de meeste dingen die zij zelf aandraagt, is hij tevreden, zegt ze. Zijn ze het nooit oneens? „Jawel, inhoudelijk. Ivo heeft wel een soort begrip voor Kreon, hij vindt het een getroebleerde held, maar ik vind hem ronduit een tiran.”

En zo loodst ze, twee minuten voor tijd, het gesprek behendig terug naar Sophocles. „Weet je wat mij diep, diep raakte aan dit stuk? De vragen die het opwerpt over mens-zijn. Ondanks de rol die de goden spelen gaat het wat mij betreft niet over religie. Het gaat over ontologie, de zijnsleer. Sophocles vertaalt die in de vraag: wat maakt een mens menselijk? Welke essentiële waarden koesteren wij, in onszelf, die losstaan van wereldlijke wetten?

„Ik vond het pijnlijk om te zien hoe bijvoorbeeld niemand de Charlie Hebdo-daders wilde begraven: de overheid niet, hun families niet. Ja natuurlijk, het zijn misdadigers, maar het blijven wel mensen. Hier trekt Antigone een ontroerende, principiële grens: haar broer was fout, maar zijn dode lichaam wordt niet ontheiligd, punt. Antigone gaat over het ontwikkelen van een innerlijk moreel kompas, in verwarrende tijden. Die zoektocht herken ik.”

Hoe? Die vraag blijft onbeantwoord.