Chocoladekunst met extra emoties

Op een oude plantage van Unilever in Congo begon Renzo Martens in 2012 aan de bouw van een kunstcentrum. Nu worden de eerste door plantagearbeiders gemaakte sculpturen gepresenteerd in Europese musea. Voor NRC hield de kunstenaar een dagboek bij.

Boteka, Congo, 8 juni 2012 Na tien uur varen op de Congo rivier, zo breed als een binnenzee, gromt de buitenboordmotor na in mijn oren. Ik stap aan wal, waad door de modder en klim op de oever. Ik zie wrakke huisjes en hordes in vodden geklede kinderen. Het voelt alsof ik in de Middeleeuwen ben gearriveerd.

Boteka is geen willekeurig Afrikaans dorp. Ik ben aangekomen in een bedrijf. Deze palmolieplantage is sinds 2009 eigendom van Feronia, een beursgenoteerde onderneming uit Toronto. Voor die overname heersten hier sinds 1911 William Lever, oftewel Lord Leverhulme, en zijn opvolgers, de managers van Unilever. Niet lang na Levers aankomst werden de lokale bewoners gedwongen onbetaald op de plantages te werken. Hun traditionele kunst – maskers en beelden die de hele Europese avant-garde inspireerden – werd sinds die tijd niet meer gemaakt. Daar zorgden missionarissen voor.

Nu, in 2012, leven hier honderden arbeiders en hun gezinnen tussen de eindeloze rijen palmbomen. Een van hen, Mr. Mibale (niet zijn echte naam), toont me zijn loonstrookje. Voor een zesdaagse werkweek ontvangt hij 19 Amerikaanse dollar per maand. Zijn gezin leeft ver onder de armoedegrens. ’s Ochtends om vijf uur gaat de sirene en moeten de mannen de plantages op. Laat in de namiddag komen ze thuis, in ineenstortende huisjes, zonder stromend water, zonder elektriciteit, zonder enige vorm van sanitaire voorziening. Niemand heeft een matras.

Wat Unilever in 2009 van de hand deed, is eigenlijk corporate wasteland. De plantage is net op tijd verkocht, want in 2010 kondigde Unilever aan dat het bedrijf duurzaam en ethisch zou gaan worden. Maar ondanks een nieuwe eigenaar gaat de palmolie die de arbeiders uit de bomen snijden nog steeds rechtstreeks de Blue Band van Unilever in.

Hier moet het gaan gebeuren. Hier, waar alles inspireert tot het maken van kritische kunst, wil ik een kunstcentrum starten dat economisch voordeel zal brengen voor de lokale bevolking.

Picasso en Matisse, Tuymans en Dumas

Congo is al lang een bron van inspiratie voor kunstenaars. Het was Congolees houtsnijwerk dat kunstenaars als Picasso en Matisse inspireerde. Het Amsterdamse fotomuseum Foam toonde vorig jaar de video-installatie The Enclave van de Ierse kunstenaar Richard Mosse, die in fluorescerend magenta verslag deed van de oorlogsgruwelen. In 2007 maakte Steve McQueen de film Gravesend, over Congolese arbeiders die met blote handen werken in de coltanmijnen. Luc Tuymans en Marlene Dumas schilderden de in 1960 vermoorde premier Lumumba en zijn vrouw. Zelf maakte ik er in 2009 mijn film Episode 3 – Enjoy Poverty. De lijst is eindeloos, en al deze schilderijen, installaties en films hebben samen intussen miljoenen bezoekers getrokken.

Maar of deze kunst over Congo ook bijdraagt aan de ontwikkeling van Congo is onduidelijk. Zeker is wel dat steden als Venetië, Amsterdam en New York er profijt van hebben. Dat zijn de plekken waar de werken getoond, verkocht en besproken worden. Daar drinken de mensen cappuccino’s terwijl ze over kunst debatteren, en draagt die kunst dus bij aan een aantrekkelijk investeringsklimaat.

Dit is hoe het systeem van ‘gentrificatie’ werkt: eerst zijn het de kunstenaars die zich vestigen in arme buurten, dan komen de galeries, de hippe barretjes. De economie wordt aangejaagd, huizenprijzen stijgen. Kunst, geëngageerd of niet, heeft de eigenschap steden aantrekkelijk te maken voor kapitaal. Kunst doet eigenlijk hetzelfde wat multinationals doen: grondstoffen weghalen van de ene kant van de aardbol en daarmee schoonheid en winst creëren aan de andere kant. Maar plantagearbeiders als Mibale hebben niet zo veel aan de kritische werken van Richard Mosse, Steve McQueen of ondergetekende. Dat maakt die kunst een beetje leugenachtig – en dat moet veranderen.

Boteka, Congo, 11 juni 2012

In een paar weken bouwen we een conferentiecentrum van bamboe en lianen: een hal, een nederzetting met slaap- en woonvertrekken. Een constructie voor onze satellietverbinding torent hoog boven het woud uit. Alles is wit geschilderd, om onbevooroordeeld denken mogelijk te maken. Vanaf de bovenste etage zie ik de boot aan komen over de rivier, met daarin de deelnemers aan het seminar waarmee ons vijfjarig Gentrification program van start gaat. We hebben kunstcritici, historici en economen uitgenodigd uit Berlijn, Londen en Kinshasa om samen met plantagearbeiders te bespreken hoe de kunstwereld om kan gaan met het feit dat zij meesurft op globale economische segregatie.

’s Avonds zit ik op een plastic tuinstoel, met achter mij honderden plantagearbeiders. Voor ons hangt een projectiescherm. We wachten op onze digitale deelnemer Richard Florida, goeroe van de creatieve klasse en auteur van boeken over gentrificatie. Florida is omstreden: hij ziet kunst als een manier om de markt aan te jagen, terwijl een beetje kunstenaar het marktmechanisme de maat wil nemen en die kritisch wil bevragen zonder er zomaar aan mee te doen.

In Washington DC zet Florida zijn computer aan, uit onze luidsprekers klinken Skype-beltonen. En dan kijkt hij mij en de menigte achter mij recht aan. Hij beaamt: zijn onderzoek toont aan dat investeren in artistieke infrastructuur, zoals een creativiteit bevorderend kunstcentrum, de economie meer aanjaagt dan machines of wegen. Ik vertel hem dat ik kan kiezen: of ik stimuleer gentrificatie in New York, of in Congo. En dat men in Congo alleen van kritische kunst zou kunnen profiteren als we hier ateliers, galeries en cappuccinobarretjes oprichten. „Jullie vinden het kapitalisme opnieuw uit, voor het creatieve tijdperk van nu”, zegt Florida.

Unilever en kunstsponsoring

Unilever staat niet alleen bekend om zijn zeep en shampoo maar ook om zijn genereuze kunstsponsoring. Tot enkele jaren geleden financierde het concern de prestigieuze Unilever Series in het Londense Tate Modern. Met bijdragen van Ai Weiwei, Bruce Nauman, Olafur Eliasson en Tino Sehgal werd de serie een jaarlijks hoogtepunt in de kunstkalender en Tate Modern het best bezochte moderne-kunstmuseum ter wereld. Een betere investering vanuit het Unilever-hoofdkantoor, gevestigd aan de overkant van de Theems, is nauwelijks denkbaar.

En toch is het raar, dat Unilever in Londen een fantastisch werk van Tino Sehgal financiert over immateriële arbeid, terwijl hun eigen arbeiders in Congo nog geen 20 dollar per maand betaald krijgen. Net als Unilever wil ik investeren in kunst – alleen niet aan de overkant van de Theems, maar hier, op hun plantages. Door zelf een gentrificatieprogramma op te starten, in het Congolese oerwoud.

Boteka, Congo, 19 juli 2013

Ik loop over de zandweg naar onze nederzetting. Bij mij is René Ngongo, de voormalige directeur van Greenpeace Congo. We stuiten op een wegversperring, er worden wapens op ons gericht. We mogen niet verder. Na een telefoontje vanuit het Londense kantoor van Feronia is deze openbare weg in Congo namelijk niet langer openbaar. Zeker, Feronia had ons aanvankelijk geholpen en wat logistieke steun verleend voor het openingsseminar. Maar van de ene op de andere dag besloot Feronia dat wij de arbeiders hier maar afleidden van hun taken. Na het seminar liet Feronia-directeur Bill Dry, voormalig Unilever-consultant, mij weten dat zijn bedrijf ons niet langer kon helpen. Ik mailde hem dat we onszelf wel konden redden, en huurde een terreintje en een leegstaande winkel in een arbeiderskamp. Hier startten we onze creatieve workshops. Kinderen, die nog nooit een kleurpotlood in handen hadden gehad, tekenden onder begeleiding van therapeuten hun dromen voor de toekomst. Ze waren prachtig.

Maar toen kwamen de telefoontjes van de Feronia-directie in Londen. Niet alleen de wegen worden afgesloten, ook de haven waar onze boot ligt, wordt geblokkeerd. We kunnen niet blijven en ook niet gaan. Tientallen plantagearbeiders breken ons kunstcentrum af – niet dat ze dat willen, ze moeten. Onder politiebegeleiding voert Feronia de tekeningen af waarin kinderen hun hoop voor de toekomst hebben uitgebeeld. Ons kunstcentrum wordt ontmanteld. Mensen huilen. Ik ook. Later stuurt Feronia mailtjes rond dat wij aanzetten tot „a violent situation”. Dat is een gouden greep: niemand in centraal Afrika wil nog meer geweld.

Geheime locatie, 13 augustus 2014

Niet heel ver weg, stroomafwaarts, zijn we opnieuw begonnen. De locatie van onze nieuwe nederzetting houden we nog maar even geheim. Het voelt als ballingschap.

Maar hier worden weer beelden gemaakt. Vijf vrouwen, ieder met een grote teil vette rode klei op het hoofd, komen aanlopen – grondstof voor de aanwezige plantagearbeiders. Ze zijn zelfportretten aan het maken, sculpturen over een half verwerkt verleden. De beelden zullen geëxposeerd worden in het Van Abbemuseum in Eindhoven en op de expositie Artes Mundi in Cardiff. We praten over de sociale en economische situatie waarin hun kunst terecht zal komen. Zulke reflecties vormen het ABC van elke serieuze kunstopleiding, en zijn ook hier elke ochtend het onderwerp van gesprek.

Sommige arbeiders komen van cacaoplantages in de buurt. Mitano en Junior zijn afkomstig van de plantage waar we weggejaagd werden en liftten mee met een houttransport over de Congo rivier. Deze mensen en hun ouders hebben een eeuw lang bijgedragen aan de wereldeconomie. Vandaag richten ze een eigen vereniging op, de Cercle d’Art des Travailleurs des Plantations Congolaises. Met René Ngongo als moderator van de bijeenkomst, vertellen vijftien arbeiders over de missie van hun Cercle. Junior is aan het woord: „Wij weten alles van zware arbeid, het terugtrekken van de overheid en een samenleving die overheerst wordt door een kleine elite. Overal ter wereld gaan mensen gebukt onder groeiende ongelijkheid, klimaatverandering en oorlog. Ik heb het gevoel dat wij een bijdrage te leveren hebben aan wereldomvattende debatten.”

We zitten in een bamboe conferentiecentrum naast de hut waarin de eerste keramische zelfportretten staan. Van Mbuku Kipala staat er een zelfportret zonder kleren, Mella maakte een portret van cacaoarbeider Magiella. Het zijn aangrijpende beelden. Het is onmogelijk ze te exporteren – de klei zou breken. Maar dat hoeft ook niet – we kunnen ze wel scannen. In een cacao-opslag in Amsterdam hebben we de cacao gelokaliseerd die van de plantages komt waar Mella en Magiela wonen. Voor mensen is het moeilijk een visum te krijgen, maar de cacao, die is er al. Het volstaat die een beetje te bewerken.

Van Abbemuseum, 24 november 2014

Op basis van 3D-prints lukt het de meesterchocolatiers van het Nederlands Patisserie Team de gedigitaliseerde zelfportretten van plantagearbeiders in chocolade te gieten. Chocoladegigant Barry Callebaut heeft die gratis geleverd. In het Van Abbemuseum staan grote sculpturen van Mbuku en Emery Muhamba. In de museumwinkel kosten de kleinere hoofdjes 39,95 euro. Deze chocolade is dus te koop, maar nu met extra inhoud: gevoelens, ideeën, aspiraties van de plantagearbeiders. Ten opzichte van een gewone chocoladereep, zonder toegevoegde gevoelens, brengt dit die arbeiders per gram chocolade een inkomstenstijging van 7.000 procent.

Geheime locatie, januari 2015

Enige tijd geleden kreeg ik Ravi Sood, de voorzitter van de raad van bestuur van Feronia in Toronto, aan de telefoon. Wat wij zeiden over de wegversperringen en andere zaken, is niet waar. Hij was het niet die opdracht gaf tot het versperren van wegen en het confisqueren van de kindertekeningen. Het was de politie, op last van een gerechtelijke uitspraak. Opmerkelijk genoeg is dit telefoongesprek, ruim een jaar na de afbraak van ons kunstcentrum, georganiseerd door de Britse investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden, de Commonwealth Development Corporation (CDC), die net miljoenen gepompt heeft in Feronia voor armoedebestrijding. Maar ondertussen weet ik dat in Boteka nog steeds geen sanitair is aangelegd, dat er nog steeds geen water of elektriciteit is en dat Mibale het nog altijd zonder matras moet stellen. En die gerechtelijke uitspraak – niemand die ’m ooit zag.

Belangrijke vragen dringen zich op. Waarom is Brits ontwikkelingsgeld nodig om armoede te bestrijden op een plantage die net verkocht is door een bedrijf – Unilever – dat jaar na jaar miljarden euro’s winst maakt?

En hoe kan Unilever verantwoorden dat Mr. Mibale 240 dollar per jaar verdient terwijl Unilever-directeur Paul Polman in datzelfde jaar 9 miljoen dollar aan salaris en bonussen opstrijkt? Voor mijn geestesoog zie ik geen frisgewassen haren, maar ondervoede kinderen.

Geheime locatie, Congo, februari 2015

De leden van de Cercle zijn alweer nieuwe beelden aan het maken. De eerste inkomsten uit de chocolade met toegevoegde emoties waren erg welkom. Deze Congolezen kunnen onmogelijk leven van plantagearbeid. Maar misschien kunnen ze wel leven van artistieke reflectie op die plantagearbeid. En misschien kan mijn Instituut voor Menselijke Activiteiten, samen met de Cercle, deze plek verder uitbouwen. We hopen dat spoedig een paar barista’s koffiebarretjes openen in de buurt van onze nederzetting en dat er prachtige tentoonstellingen gemaakt zullen worden. En we blijven hoop houden dat de zeepgigant ons ooit nog eens gaat steunen.