Zo van Eton door naar Hollywood

De Britse acteurs Benedict Cumberbatch, Eddie Redmayne en Rosamund Pike zijn in de race voor Oscars. Dat illustreert de klassenstrijd in Groot-Brittannië.

Een klassenstrijd woedt onder Britse acteurs. Van Judi Dench tot de toneelleraar van Benedict Cumberbatch: iedereen heeft een mening. De vraag: kan je tegenwoordig alleen nog doorbreken als acteur als je van gegoede afkomst bent?

Het debat is opnieuw opgelaaid sinds Benedict Cumberbatch en Eddie Redmayne werden genomineerd voor een Oscar. De laatste won al een Bafta, het Britse equivalent, de eerste was daar ook voor genomineerd. En beiden zijn kostschooljongens. Cumberbatch ging naar Harrow, Redmayne naar Eton, waar hij in de klas zat bij prins William.

Ze zijn niet de enigen. De iets oudere Dominic West (The Wire) zat op Eton in de klas bij premier David Cameron, Damian Lewis (Wolf Hall, Homeland) ging naar dezelfde school. Cumberbatch’ en Redmaynes generatiegenoot Tom Hiddleston (War Horse, The Avengers) zat ook op Eton, Henry Cavil (Man of Steel) ging naar Stowe, Jamie Dornan (Fifty Shades of Grey) naar Methodist, Dan Stevens (Downton Abbey) naar Tonbridge, Laurence Fox (Lewis) naar Harrow.

Bij de vrouwen is een soortgelijke trend zichtbaar: Rosamund Pike, genomineerd voor een Oscar voor Gone Girl, ging naar meisjesschool Badminton. Carey Mulligan, twee jaar geleden genomineerd voor An Education, naar Woldingham. Ook Emily Blunt en Kate Beckinsale volgden privéonderwijs. Van de Britse bevolking gaat slechts 7 procent naar een privéschool.

Het deed Julie Walters (Billy Elliot) eerder deze maand verzuchten dat „working class-kinderen niet meer zijn vertegenwoordigd” in de Britse film-, tv- en theaterindustrie. Zij was zelf ooit verpleegster en kreeg een beurs om Engels en drama te studeren. Tegen de Radio Times zei ze: „Het is stuitend te zien hoe die stroom [working class] talent is opgedroogd. Het toneel zal niet langer de samenleving vertegenwoordigen.”

Klassebewust

De discussie past in een land waar iemand nog altijd wordt gedefinieerd door de school die hij bezocht, en is geobsedeerd door klassenverschil, zo blijkt uit de niet te stillen honger naar films, series en toneelstukken die dat klassenverschil uitvergroten. Denk niet alleen aan Downton Abbey, maar ook aan gescripte realityshows als Made in Chelsea (nouveau riche) en Made in Essex (working class); aan documentaires als Posh People: Inside Tatler – over het tijdschrift over de upper-class – en Benefits Street, waarin Channel 4 uitkeringstrekkers volgt.

Walters’ observatie wordt bevestigd door andere acteurs die in de jaren zeventig en negentig doorbraken. Er bestaat „aanzienlijk, aanzienlijk, aanzienlijk minder kans voor een acteur met mijn achtergrond nu door te breken”, zegt Christopher Eccleston (Dr Who). Hij komt uit textielstad Salford, waar ook working class-acteurs Albert Finney en Ben Kingsley opgroeiden.

Eccleston noemt het een maatschappelijk probleem. „We hebben altijd voorrang gegeven aan mensen met een Queen’s English-accent die van een privéschool komen. Dat is hoe dit land en het toneel zich hebben ontwikkeld.” Helen Mirren (Oscar voor The Queen) signaleert: „Ik ben alleen dankzij het National Youth Theatre [een liefdadigheidsinstelling, red.] actrice geworden. De manier waarop mijn sector zich ontwikkelt, wordt het een privilege voor rijke kinderen.”

Al is het ook maar omdat je in de eerste, meestal magere jaren van een acteerloopbaan gemakkelijker volhardt met een ouderlijke toelage. Maar upper class-acteurs zijn er altijd geweest. Wat er is veranderd, zeggen de meeste acteurs, is dat het regiotheater grotendeels is weggesubsidieerd. Dat was een springplank. Bovendien zijn opleidingen duurder geworden.

Judi Dench

Vorig jaar vertelde Judi Dench dat ze „ontelbare hoeveelheden brieven” krijgt van jonge acteurs die zich het collegegeld van toneelschool Rada (net als andere universitaire opleidingen 9.000 pond) niet meer kunnen veroorloven. Zet daar tegenover de basisscholen Eton (34.434 pond per jaar, of 46.485 euro) en Harrow (34.590 pond). Met in het geval van Eton, een eigen theater met 400 stoelen, een decorbouwer, en parttime kostuummaker. Harrows theater heeft 357 stoelen, een orkestbak met plek voor 28 musici, en vier technici die de leerlingen helpen de toneelstukken zo mooi mogelijk te maken.

De verdediging van de kostschooljongens kwam onder anderen van de toneelleraar op Harrow. In de Radio Times zei Martin Tyrell dat „een privéschool geenszins helpt”. Integendeel: „Ik heb juist het gevoel dat ze worden beperkt [in hun keuze voor bepaalde rollen] door recensenten en het publiek als gevolg van wat hun ouders deden toen de jongens dertien waren. En dat lijkt me oneerlijk.” Damian Lewis bekende eens dat hij aan het begin van zijn loopbaan Eton niet op zijn cv noemde om „te worden getypecast als een kostschooljongen met scheiding”.

Nu werkt dat doorgaans niet echt in debatten over klasse: je privilege als handicap verkopen. Maar de discussie gaat ook voorbij aan het feit dat er tegenover al die kostschooljongens evenveel goede acteurs zonder gegoede achtergrond zijn. James McAvoy (Atonement) of David Tennant (Dr Who) bijvoorbeeld.

Op het toneel of het beeldscherm heb je weinig meer aan afkomst, stelt Edward Kemp, directeur van toneelacademie Rada: „Kijkers weten echt niet dat Ben Whishaw en Gemma Arterton geen gegoede achtergrond hebben omdat we ze trainden om middle class-personages te spelen.” Het probleem, zegt Kemp, is eerder dat er nauwelijks nog working class-rollen zijn.