Wie mag wel en wie mag niet staken?

Wereldwijd voeren vakbonden vandaag actie voor het stakingsrecht. Hoe een conflict in Genève doorsijpelt in de Nederlandse arbeidsverhoudingen.

Ordetroepen blokkeren een stakingsactie in Panama. Vakbondsmensen worden regelmatig opgepakt in het Latijns-Amerikaanse land. Foto Bienvenido Velasco / AFP

Nederland kon niet langer wegkijken toen in 2013 een kledingfabriek in Bangladesh instortte en elfhonderd textielarbeiders de dood vonden. De Bijenkorf, Hema, G-Star en C&A: allemaal steunden ze het internationale ‘Veiligheidsakkoord’ voor betere arbeidsvoorwaarden in het land. Ook Wibra en Zeeman ondertekenden – al betalen ze, zelfs naar Bengalese standaard, nog altijd slecht, volgens lokale producenten.

Onder dreiging van ontslag en politiegeweld zijn vele duizenden textielwerkers sindsdien de straat opgegaan om meer loon, meer vrije tijd en een veilige werkplek te eisen. Mogen de Bengalezen dat eigenlijk wel of niet?

Verdeeld

Over die vraag zijn Nederland en de internationale gemeenschap verdeeld. Vakbonden, zoals FNV en CNV, zeggen dat het internationale stakingsrecht lang geleden is vastgelegd door de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) van de Verenigde Naties. De ILO, die zetelt in Genève, is een tripartite orgaan waarin werkgevers, vakbonden en overheden samen verdragen sluiten om sociale gelijkheid, mensenrechten en goede arbeidsomstandigheden te bevorderen. Maar werkgeversorganisaties, zoals VNO-NCW en MKB Nederland, zeggen dat de ILO géén internationaal stakingsrecht heeft vastgelegd.

De Nederlandse regering heeft volgens een woordvoerder van Sociale Zaken nog geen formeel standpunt – terwijl de discussie in Genève bijna drie jaar gaande is en hoog oploopt.

In landen als Guatemala, Cambodja en Nigeria lopen vakbondsmensen de kans om vermoord te worden. In Pakistan, Turkije, Servië en Panama worden ze gemolesteerd of achter de tralies gezet.

„Mensen in die landen moeten kunnen terugvallen op een beschermd internationaal stakingsrecht”, zegt FNV’er Catelene Passchier, lid van het ILO-bestuur. „In Nederland is het stakingsrecht ook niet vastgelegd in de grondwet, maar het is wel verankerd in het Europees Sociaal Handvest en in jurisprudentie.”

Volgende week vergadert de ILO over de vraag of dit conflict over stakingsrecht moet worden voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, de hoogste rechter binnen de VN. Niet toevallig heeft de grootste vereniging van vakbonden ter wereld (IVVV) vandaag tot internationale actiedag uitgeroepen.

In Nederland hebben FNV en CNV onder bedrijven steunbetuigingen verzameld voor het internationale stakingsrecht, maar de oogst is mager (zie kader). Een mogelijke verklaring is dat VNO-NCW benaderde bedrijven heeft geschreven dat de actie van FNV „feitelijk onjuist” is. Toch zou werkgeversvoorzitter Hans de Boer het handjevol steunbetuigingen vanochtend netjes in ontvangst nemen van FNV-voorzitter Ton Heerts en CNV-voorzitter Maurice Limmen.

Laatste middel

„We zijn niet tegen het stakingsrecht, maar wel tegen het invoeren van een onvoorwaardelijk of ongeclausuleerd stakingsrecht”, zegt Ton Schoenmaeckers, afgevaardigde bij de ILO namens VNO-NCW en MKB. „Er moeten wel checks and balances zijn. Staken moet bijvoorbeeld altijd het laatste middel zijn, je moet eerst samen overleggen.”

Hoe zou het internationale stakingsrecht er volgens Schoenmaeckers dan uit moeten zien? „Daar waag ik mij niet aan”, zegt hij. „Het stakingsrecht is ongelofelijk complex en technisch. Maar je kunt niet zomaar aannemen dat het in bestaande verdragen zit, omdat je dat logisch en wenselijk vindt.”

Passchier van de FNV noemt de uitleg van VNO-NCW en MKB rommelig. „In de uitspraken en beslissingen van de ILO staan al duidelijke beperkingen”, zegt ze. „In Den Haag spannen werkgevers zich samen met ons in voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen, terwijl ze in Genève het stakingsrecht saboteren. Het is slecht voor de arbeidsverhoudingen in Nederland en ook voor de geloofwaardigheid van onze samenwerking in de Sociaal-Economische Raad.”

Als de Nederlandse regering in maart bij de ILO spreektijd krijgt en de stemming over het Internationaal Gerechtshof plaatsvindt, zal minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) de visie van het kabinet geven, zegt zijn woordvoerder. Het kabinet is er wel voorstander van om het conflict voor te leggen aan dit hof.

Maar als dát gebeurt, dan beschouwen VNO-NCW en MKB Nederland dat als „het failliet” van de tripartite samenwerking in Genève, in navolging van de internationale werkgeversorganisaties. En zo zit de ILO (opgericht in 1919) kort voor haar honderdjarig bestaan in een patstelling.

Onderhandelen

Het draait allemaal om twee verdragen die de ILO eind jaren veertig heeft aangenomen: het recht van werkgevers en werknemers om zich te verenigen (verdrag 87) en het recht om collectief te onderhandelen met elkaar (verdrag 98). De Verenigde Staten en China hebben ze nooit willen ratificeren, maar de overgrote meerderheid van de 185 lidstaten wel.

Als je een vakbond mag oprichten, dan mag je ook actievoeren en staken, want anders heb je geen machtsmiddelen, redeneert de onafhankelijke Commissie van Deskundigen van de ILO, vaak hoogleraren en rechters uit de lidstaten. Ook al staat het niet letterlijk in de verdragen 87 en 98, deze deskundigen erkennen het stakingsrecht al een halve eeuw.

Totdat de internationale werkgevers in juni 2012 ineens protest aantekenden en de deskundigen ter discussie stelden, met name de Angelsaksische werkgevers en lidstaten in Afrika en Azië. Schoenmaeckers van VNO-NCW: „De deskundigen mogen dan stellig zijn, maar zij gáán er niet over. Wij wel. ILO-verdragen worden tripartite aangenomen.”

Globalisering

Eén lezing is dat het protest te maken had met de benoeming van de eerste vakbondsman tot directeur-generaal van de ILO in hetzelfde jaar: de Brit Guy Ryder, jarenlang het gezicht van de internationale vakbeweging. Door zijn komst zouden werkgevers meer grip op de ILO-normen en het toezicht willen.

Paul van der Heijden, hoogleraar internationaal arbeidsrecht aan de Universiteit van Leiden, ziet een andere context: „Globalisering”, zegt hij. „De laatste tien jaar is de druk op bedrijven gegroeid om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Al die ‘zachte verdragen’ krijgen wel weerslag in internationale jurisprudentie. Zo worden werkgevers via ketenaansprakelijkheid verantwoordelijk voor misstanden bij onderaannemers in verre landen. Dat is een nieuwe dimensie in het ondernemen, die tot enige voorzichtigheid onder werkgevers leidt.”

Van der Heijden, voorzitter van ILOcommissie voor de vrijheid van vakvereniging, zal volgende week in Genève mogelijk ook gevraagd worden onderzoek te doen naar modernisering van het toezicht in het orgaan. „Het is van het grootse belang dat vakbonden en werkgevers er samen uitkomen”, zegt hij. Het conflict verlamt de ILO: afgelopen jaar kwam de organisatie tot geen enkel verdrag.

Schoenmaeckers: „Het is niet zo dat wij rabiaat tegen zijn. De internationale werkgevers hebben de vakbonden al vaker gezegd: we willen het stakingsrecht best vastleggen, maar dan moeten we er eerst goed over praten in de ILO. Er zijn veel werkgevers die het stakingsrecht fatsoenlijk willen regelen. Het hoort bij stabiele arbeidsverhoudingen.”

Passchier: „Engelse en Amerikaanse werkgevers hebben dure advocaten aangesteld met maar één opdracht: down the drain met het stakingsrecht. De lijn van VNO-NCW en MKB Nederland is pappen en nathouden. Ze erkennen het internationale stakingsrecht niet, maar willen het ook niet voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof. Ze blokkeren een oplossing.”