Vluchtimpuls wint van schaamte

Het beste boek over heldenmoed dat ik ken, is The Red Badge of Courage van Stephen Crane. Daarin slaat de 18-jarige soldaat Henry Fleming in blinde paniek op de vlucht bij zijn eerste schermutseling in de Amerikaanse Burgeroorlog. Waarna hij een nacht lang verteerd door schaamte door het bos zwerft en de volgende ochtend blijkt dat niemand zijn desertie heeft opgemerkt. In de wetenschap dat hij „zijn fouten in het donker heeft begaan, dus nog steeds een man is” sleurt Fleming dan zijn regimentsvaandel door een kogelregen en groeit uit tot gedecoreerd oorlogsheld.

Bij gevaar zijn drie reacties mogelijk: vluchten, doen alsof je dood bent of pal staan. De eerste twee reacties zijn doorgaans gezonder en verstandiger: elk leger weet dat alleen schaamte vechtlustige troepen kweekt. Wie vlucht, is geen man meer, maar een wezel. Pal staan, desnoods je leven geven: dat wordt van mannen verwacht, feminisme ten spijt.

Maar wat als schaamte bij plots gevaar niet tijdig je vluchtimpuls onderdrukt? Het is erg als dat in het donker gebeurt, maar als dat op video wordt vastgelegd op een kraakheldere winterdag, zonder kans op revanche? Hoe word je dan weer man in de ogen van vrouw en kinderen, maar vooral van jezelf? Is de liefde daartegen bestand?

Het zijn de vragen die de Zweedse regisseur Ruben Östlund stelt in Turist, via een vilein levensechte casus. Als een gecontroleerde, maar schijnbaar uit de hand lopende sneeuwlawine op het terras afraast waar een braaf Zweeds gezinnetje van zijn après-ski geniet, grist vader Tomas in een reflex zijn iPhone van tafel en kiest het hazenpad terwijl moeder Ebba de kinderen beschermt. Wanneer de sneeuwmuur slechts een wolk stuifsneeuw blijkt, doet iedereen nog even alsof er niets gebeurd is. Maar het fundament van dit gezin is kapot, de vloer onder hun voeten begint al te schuiven.

Turist is de eerste film waarin het talent van de Zweedse regisseur Ruben Östlund zich volledig ontplooit. Eerdere films als Involuntary en Play waren meer sociologie dan drama; slimme morele traktaten die je nauwelijks raken. Dat doet het eveneens hoogst gestileerde en gecomponeerde Turist wel: Östlund maakt ons getuige van een paar seconden die heel grappig zouden zijn als de gevolgen niet zo catastrofaal waren voor dit modelgezin. Want dat zijn ze: blond, succesvol, gezond, hoogopgeleid, ruimdenkend: het soort mensen dat naar een film als Turist gaat. Ze zijn lekker samen aan het genieten in een smaakvol skioord waar elk plooitje weg is gedesignd: overal hoor je industrieel gezoem van stookketel, skilift en airco. Elk gevaar bezworen, tot dat wolkje sneeuw het gezin onverwachts in een peilloze vertrouwenscrisis stort.

Östlund observeert haarscherp de nuances van de traumaverwerking: de ontkenning, het marchanderen, de woede, de depressie. Of acceptatie ooit echt mogelijk is? De kinderen, kanaries in de mijnschacht, piepen al direct benauwd dat papa en mama gaan scheiden. Dan zwijgt het koppel nog, maar zo snel zich publiek aandient kookt de broeiende echtgenote Ebba over: ze raakt geobsedeerd door Tomas’ verraad. Diens klootloze verdediging – „ik herinner het me toch anders” – verpulvert als alles op iPhone blijkt opgenomen. Hier is niets minder dan een biecht van bergmaniaans formaat vereist, plus rituele handelingen om het evenwicht te herstellen.

Een tweede echtpaar zorgt voor het contrapunt: Tomas’ beste vriend rationaliseert zijn overlevingsdrang, al zou hij zelf uiteraard nooit zo laf handelen. Dat paar raakt door het incident in een secundaire relatiecrisis, en zo hoopt Östlund zonder twijfel dat alle echtparen kibbelend over mannelijkheid en moed de bioscoop verlaten. Turist is ongeschikt als datemovie, maar herinnert eraan dat ook ons plotseling de maat kan worden genomen, hoe veilig we ons ook wanen. En dat ons comfortabele zelfbeeld zomaar in rook kan opgaan. Wie Tomas veracht, heeft er weinig van begrepen.