Mijn oude tolk wordt ook bedreigd, maar hij blijft in z’n vaderland

Veel Afghanen hebben het gehad met hun land. Maar is emigratie de oplossing?

Abbas Alizada wil als de ‘Afghaanse Bruce Lee’ de positieve kant van zijn land laten zien. Foto Mohammad Ismail/Reuters

Mustafa, mede-eigenaar van een reclamebureau in Kabul, kijkt elke ochtend uit het raam van zijn kantoor om de toestand van Afghanistan te peilen. Hij kan het overheidsbureau zien dat paspoorten verstrekt aan Afghanen en verblijfsvergunningen aan buitenlanders die in het land komen werken. „Er staat altijd een rij”, vertelt hij. „Maar sinds begin dit jaar staat die voor een ander loket. Jarenlang stonden buitenlanders te wachten om een verblijfsvergunning te krijgen. Hoe langer die rij, hoe meer vertrouwen er was in onze toekomst. Nu zijn het Afghanen die in de rij staan voor het paspoortloket.”

Veel Afghanen willen naar het buitenland. De economie holt achteruit en het land wordt steeds onveiliger, nu het grootste deel van de internationale troepen is vertrokken.

De patholoog-anatoom die ik interview, vraagt of ik een baan in het Westen weet. De chauffeur van een Brits adviesbureau probeert al jaren zijn vrouw en twee zoontjes naar Engeland te krijgen. De uitbater van een restaurant – leeg vanwege de onveiligheid – gooit na dertien jaar de handdoek in de ring. Zijn ouders vluchtten in de jaren tachtig naar Frankrijk. In 2002, nadat de Talibaan waren verdreven, keerde hij naar Afghanistan terug. „Iedereen steelt hier. Het is genoeg geweest.” Hij wil weer naar Europa.

Maar biedt het buitenland uitkomst? In Pakistan, Iran en elders leven nog 2,9 miljoen, grotendeels arme Afghaanse vluchtelingen van de vorige oorlog, die begon met de Russische invasie van 1979. Alleen de Palestijnse en Syrische vluchtelingenpopulaties zijn groter.

Goddeloze indringers

In het vliegtuig van Delhi naar Kabul vertelde de Afghaan naast mij dat hij zeven jaar in de stad Herat had gewerkt als computerspecialist voor de NAVO. In zijn omgeving wisten te veel mensen dat hij voor de buitenlanders werkte. De Talibaan maken korte metten met ‘handlangers van de goddeloze indringers’. Hij werkte onder Amerikaans en Italiaans commando, maar kreeg geen visum. Hij vertrok naar India, dat Afghanen toelaat die er willen studeren, en schreef zich in voor een studie informatietechnologie. „Over zes maanden ben ik klaar. Maar in Afghanistan is geen werk en in India nemen ze liever iemand uit eigen land aan.”

Hij heeft tassen vol cadeautjes bij zich voor zijn vrouw en twee dochtertjes. Het ziet er vrolijk uit. „Maar ik ben niet blij”, zegt hij. „Mijn spaargeld is bijna op. Hoe moet ik straks mijn gezin onderhouden?” Op het vliegveld van Kabul staat hij met een pijnlijke grimas bij de bagageband. Hoofdpijn, gebaart hij.

Er zijn uitzonderingen. Fatma, bijvoorbeeld, een jonge, grotendeels in Nederland opgegroeide Afghaanse. Zij keerde terug en werkt voor hulporganisaties. Toen het veel medewerkers eind vorig jaar te heet onder de voeten werd tijdens de golf van aanslagen, bleef zij. „Ik ga niet weg. Dit is mijn vaderland en ik ben hier nog lang niet klaar.”

Potentaten

En dan is er ‘Matty’, die ik negen jaar geleden leerde kennen. Hij zag me lopen en bood zich zonder aarzeling aan als tolk. In vloeiend Engels, toen nog een zeldzaamheid onder jonge Afghanen. Hij was negentien jaar. Zijn doel: president van Afghanistan worden. Nu is hij op zijn 28ste regiodirecteur bij de IRCC, het onafhankelijke orgaan dat het openbaar bestuur hervormt. Hij beslist over het lot van 40.000 ambtenaren. „Wij kunnen de salarissen van gouverneurs laten bevriezen als zij hun macht misbruiken. Machthebbers kunnen zich niet meer ongestraft gedragen als potentaten.”

De reden dat hier zijn echte naam niet wordt genoemd, is dat de gouverneur in de provincie waar Matty kantoor houdt, niet zuiver op de graat is. Matty werd meermaals bedreigd – en in Afghanistan is dat een serieuze zaak. Maar hij blijft.

„De regering komt steeds meer in handen van het volk. Ik zie het veranderen en ik draag eraan bij.” Ik vertel hem dat ik in Amsterdam eens in de taxi zat bij een Afghaan die vóór zijn vlucht commandant was van de nationale politieopleiding. „Zo’n leven weiger ik te leiden”, zegt Matty beslist. „Mijn plaats is hier.”