In Rattles Mahler is veel anders dan anders, en wat rest is diep ontzag

Gaan ze echt steeds meer op elkaar lijken, de internationale toporkesten? Wie gisteren hoorde hoe de Berliner onder chef Simon Rattle (tot 2018) Mahlers Tweede inzetten, was gerust. Zoals dit strijkerscorps bestaat geen tweede. Het glanst en ronkt, en vermorzelt vervolgens elk loom welbehagen door zoevend op te trekken met nóg vier extra cilinders aan klankdiepte.

Rattles Tweede is persoonlijk (dit werk wekte zijn roeping), doorvoeld én gerijpt (zijn eerste ‘2’ dirigeerde hij in ’73). Triviale weetjes, maar ze verklaren iets van de extremiteit en urgentie van deze Tweede – als ook de verdeelde reacties erop.

Veel van wat Rattle doet is zeer anders, vooral in de extreem vloeibare vrijheid van de tempi. Maar wát hij doet is niet ijdel, maar begripverhogend. Versnellingen zijn er om climaxen aan te scherpen, beukende dissonanten openen de deur naar de 20ste eeuw. Slechts incidenteel was een idee te scherp aangezet, en leidde traagheid tot stilstand of knalde (onwennigheid met de akoestiek?) een fff al te oortuitend de zaal in.

Een extra attractie vormde de kwaliteit van de Berliner, in wier handen lieflijkheid, gedragen koperkoralen en martiale hysterie geweldig klonken. In combinatie met de eigenheid van Rattles visie maakte dat deze Mahler memorabel, uniek en meeslepend voor hoofd en onderbuik, ook dankzij het zoemend intense aandeel van het Groot Omroepkoor en de uitstekende solisten Kate Royal en Magdalena Kozena.

Passend was de opmaat: Lachenmanns korte, duistere orkestwerk Tableau (1989) met z’n toonloos zuchtende blazers en omineus gebeier.